Russula

Wat heb ik toch met paddenstoelen? Laat ik proberen om het uit te leggen. In de eerste plaats eet ik heel graag paddenstoelen. Een gewone weidechampignon, een handvol weidekringzwammen gebakken in boter, met wat pasta en het is al een beetje feest. De lekkerste die ik tot nu toe at, was eekhoorntjesbrood. Maar er zijn er die ik nog niet geproefd heb, die naar het schijnt nog lekkerder zijn. Zo hoop ik volgende herfst een keizeramaniet te vinden. Hoop ik. Want paddenstoelen dat is zoeken, vinden, laten gevonden worden. Een thema dat me al een jaar of twee bezig houdt en dat op één of andere manier heel concreet wordt als het over paddenstoelen gaat. Een filosoof zou hier een half boek over kunnen schrijven, maar ik beperk me tot wat observeren en verwonderen. Wie zoekt, die vindt, is maar een half verhaal. Want vindt de zoeker wel wat hij zocht? Je vindt wel altijd iets. Ik ben al lang opgehouden met naar het bos te gaan en op zoek te gaan naar fluweelpootjes of morieljes. Het spel heet nu: Ik ga naar het bos en ik breng wat mee. Zo heb ik in mijn rugzakje altijd wel een mes en wat papieren zakjes mee, en een opvouwbaar gevlochten mandje uit Kenia voor je-weet-maar-nooit. Soms raap ik wat stokjes, denappels, knip ik wat tijm en een enkele keer kan ik mijn mandje uitvouwen om daar voorzichtig een paar paddenstoelen in te leggen.

Vanmorgen heb ik het “rivierenpad” gevolgd, een smal pad dat halverwege de hellingen loopt en een paar bergriviertjes oversteekt. Het was ongewoon warm, om 7 u had ik al 20° op het terras. De lucht voelde droog aan en na een uurtje klauteren, had ik nog niet één paddenstoeltje gezien, zelfs geen stuifzwam, en ik besloot dat de weersomstandigheden nog niet ideaal waren. Dus ging ik maar wat stokjes rapen, aanmaakhout komt altijd van pas. En toen rook ik paddenstoel. Sommigen hebben een oog voor paddenstoelen, anderen een neus. Ik wisselde van bril –want mijn ogen zijn niet echt een hulp- en ik vond meteen een tijgeramaniet, een soort die ik al vaker heb gezien, maar die dodelijk giftig is. Ik keek verder, want waar één paddenstoel staat, staan er meestal meer. Tot mijn grote vreugde vond ik vier russula’s en met het boekje erbij (dat ik ook in mijn rugzakje heb), bleken het regenboogrussula’s te zijn, en “bon comestible”. Een beetje gulzig nam ik ze alle vier mee en thuis determineerde ik ze voor de zekerheid nog een keer met mijn wat grotere en dikkere paddenstoelenboeken. Ik mocht gerust zijn: alle kenmerken klopten en de veerkracht van de plaatjes was het beste bewijs, want enig in zijn soort. Ze waren wel wat droog en daarom twijfelde ik. Zou ik niet beter wachten tot ik wat jongere exemplaren vind? Ik sneed ze doormidden en hoefde niet langer te twijfelen: de wormpjes waren me voor geweest. Op de composthoop dan maar. Wie weet brengen de sporen nog kleintjes voort.

En eigenlijk was ik niet eens teleurgesteld. Het plezier van iets te vinden dat ik niet eens had gezocht en dus ook niet had verwacht, smaakte evengoed. En het idee dat ik weer een nieuwe soort ken, maakt me ook blij.

DSCN2609

Wegdoen

Versleten regenjassen aan een staande kapstok. Een potje met muntstukjes en haarspelden. Een rieten mand voor oud papier en eentje voor de flessen. De kleverige frietketel en het kapotte wafelijzer. Geen bord of kopje waar geen barst in is. Honderd verschillende glazen. Wasspelden in de zakken van een schortje. Vijftig verschillende tafellakens. Het gebloemde eetservies van Mamà. Waarvan nog twee en een gebarsten kopje van de vierentwintig. Twaalf dozen met kaartjes en brieven, en een stapel fotoalbums. Kasten vol boeken en laden vol videocassettes. De snek-kandelaar uit Noorwegen, van Nonkel Marcel. Doeken, overtrekken, spreien, dekens en tapijten. Honderd paar flanellen lakens. De voorgangers van strijkijzers, broodroosters en koptelefoons. En de lege dozen van de laatste nieuwe. Muffe zakdoeken en kousen met gaten. Badmatten die naar kattenpis ruiken en handdoeken met bleekwatervlekken. Honderdduizend cadeautjes, door iedereen meegebracht, van lange en korte reizen. Lijstjes met foto’s van mensen en vogels.

En in de tuin: verroest gereedschap, transistors en claxons (om de vogels uit de kerselaars te jagen) en een berg gerecycleerde afval.

Wie wat bewaart, heeft wat, zei Ton. Mijn vader dacht dat waarschijnlijk ook. En op zolder was veel plaats.

We hebben slikkend weggegooid en weggegeven.

En zelf nog een klein beetje bewaard.

 

Groen

Vandaag had ik een sombere dag met hier en daar een lichtpuntje. Als het grauw weer is, ligt Perpignan er maar vuil bij. Geen stad waar je vrolijk wordt. En in het rusthuis was het al niet veel beter. Daar is het dan wel heel netjes, maar ik kan het maar niet laten om me mezelf over x aantal jaren in zo’n omgeving voor te stellen. Mijn moeder laat het gelukkig niet aan haar hart komen. Als kersverse weduwe doet ze het verbazend goed. Ze is blij met haar nieuwe kamer, ze toont belangstelling voor haar kinderen en ze is zelfs bereid om af en toe in het salon “tussen de oudjes” te gaan zitten.

Toen ik naar huis reed, regende het en de berg lag in een dikke mist. Maar kijk, na regen komt zonneschijn. De zon nodigde uit tot een inspectieronde in de tuin. De tomatenplantjes hebben het zwaar te verduren gehad, maar ik spreek ze toe, vertel ze dat ze van goede afkomst zijn en dat ik hoge verwachtingen heb. Ik geef ze nog wat extra steunaarde en hoop maar dat de koude wind wat achterwege blijft. De groene groentjes doen het net als het gras en de wilde bloemen juist heel goed. Morgen een slaatje van zelfgekweekte roquette en radijsjes … het geluk kan soms in een klein groen hoekje zitten.

DSCN3382 DSCN3399

DSCN3397

Professor

Toen ik vanavond thuiskwam, mijn auto vol spullen uit een veel te grote winkel in het veel te verre Montpellier, kwam er een man naar mij toe gelopen. Ik wist meteen dat het geen Glorianenc was. Ik ken ze intussen allemaal. Hij zag er niet gevaarlijk uit, dus glimlachte ik hem vriendelijk toe. Ik stond wel open voor een gesprek want behalve met de kassierster van het warenhuis, had ik de hele dag nog geen woord gewisseld. Hij kwam foto’s nemen van de kerk. Ze lag er mooi bij, zo in de avondzon. Prachtig, zei hij, dit is echt-echt Romaans. En het is hier zo mooi. Ik zwol een beetje en liet de gevel van mijn huis zien, met de broodoven en de publieke achtertuin, die er in de oranje zon bijzonder romantisch uitzag.

Hij vroeg hoe lang ik hier al woonde. Tien maanden, zei ik. En of ik dit huis gekocht had. Ik knikte. Daar moet je wel gek voor zijn, antwoordde hij. Ik zag meteen af van het idee om hem een glas water aan te bieden.

Ik laadde mijn boodschappen uit en liet hem de kerk fotograferen. Wat later kwam hij mij zijn kaartje brengen. Het bleek een schrijver en een doctor in de wetenschappen te zijn, die zich toelegt op de “etnologie van de technieken”. Vandaar dat hij vooral het ijzerwerk aan de kerk kwam fotograferen.

Hij vroeg wat ik deed. Eindredactie, zei ik en ook een beetje schrijven, om maar iets te noemen. Hij wees naar het e-mailadres op het kaartje. Stuur me eens een verhaal, zei hij.

Tja, ik denk niet dat hij Nederlands leest.

DSCN2130

De eerste

Nee, ik heb nog geen morieljes gevonden. Ik zoek er zelfs niet meer naar. Ik ga sprokkelen en denappels rapen en af en toe werp ik een blik onder een es of een kerselaar, maar zoeken doe ik niet. Mijn tijd komt wel, denk ik.

Nochtans is de morieljetijd al een paar weken aan het lopen. Begin april vond een vriend van mijn neef 186 exemplaren. In een lager gelegen dorp toch wel.

Maar op de berg zijn er blijkbaar ook. Een vriend van onze koeienboer kwam deze week bij hem langs voor hij op paddestoelenjacht ging. Op de terugweg is hij niet meer komen aankloppen. Hij stuurde later een foto van de 139 morieljes die hij gevonden had. Ik had een beetje te doen met de boer.

Vanavond ging ik in de late zon nog een keertje niet-zoeken en wat vond ik? Een boleet. Drie zelfs. De eerste van het seizoen.

Buisjeszwammen zijn bijna allemaal eetbaar, behalve de satansboleet en de suillus mediterraneensis. En die laatste is het dus.

DSCN3352

Moment

Het ene moment stap ik in Vinça op een bus naar het tgv-station van Perpignan, het volgende moment stap ik aan de overkant weer af. Zo voelde het maandagavond. De week in A, die propvol zat met afspraakjes en afspraken, administratieve verplichtingen en boodschappen, lijkt -nu ik erop terugkijk- helemaal samengeperst tot een bundel flitsen.

Tijdens de treinrit van A naar Brussel, had ik wat spijt van al dat snelle gedoe. Te weinig genoten van het gezelschap. En dan weer in mijn eentje onderweg; de twijfel sloeg weer toe. Tot ik met de auto het kronkelbaantje naar Glorianes opreed, toen ging het plots beter. En tegen de tijd dat ik in het dorp aankwam was alle twijfel weg. Het was zalig aankomen. De berg baadde in oranje voorzomeravondlicht en het groen was nog groener dan een week geleden. Mijn stukje openbare weg was in opdracht van de gemeente netjes gemaaid door mijn buurman en het onkruid tussen de irissen was gewied door mijn gasten. Ook de binnenkoer lag er netjes bij, er waren nieuwe radijsjes gezaaid en het groen tussen de stenen was ingetoomd. De keuken was opgeruimd en in de koelkast stond allerlei lekkers van de markt. Naast de kachel lag genoeg hout om meteen een vuurtje te stoken als dat nodig zou zijn. De was was gedaan en mijn bed was opgemaakt met verse lakens. Neen, het was geen droom. Het was een moment, maandagavond.

Vandaag heeft het de hele dag geregend en ik ben naar de tandarts geweest. Soms lijkt het leven in Glorianes ook wel eens op het leven in A.

Rustplaats

In het kleine kerkje van Montauriol vlogen twee vogeltjes rond. Ze gaven ons iets om naar te wijzen en over te praten terwijl we op de priester wachtten.

De Afrikaanse priester kwam twintig minuten te laat, hij verontschuldigde zich uitgebreid. Zijn Aziatische assistente las de teksten voor. Een omgekeerde wereld, want gingen onze priesters niet vroeger de mis lezen in Afrika en Azië?

Tijdens de stiltes praatte mijn moeder hardop. Nooit gedacht dat er zoveel mensen zouden komen, zei ze. Alle achtentwintig stoelen waren bezet. En dan stonden er nog heel wat mensen buiten.

Na de dienst vertelde Patrick, mijn schoonbroer en burgemeester van het dorpje, het leven van mijn vader. Ik had het zelf niet beter kunnen doen. Daarna werd mijn vader in zijn appartementje geschoven. Hij rust nu in vrede recht tegenover zijn vriend Xavier, net als hij Belg, garagist en vogelliefhebber.

Ze hebben een mooi uitzicht.

DSCN3310

A

Of ik daar nu graag woon, vragen mijn verre familieleden als ik hen opbel met het nieuws dat nonkel Mil gestorven is.

Ik moet er over nadenken. Het antwoord is niet volmondig ja. Het is aanpassen, zeg ik voorzichtig. In gedachten maak ik een plus-en-minlijstje. Er zijn meer plussen dan minnen, dat wel. Het grootste minpunt is dat ik te veel tijd in mijn auto doorbreng. Maar dat heeft met de gebeurtenissen van de laatste weken en met administratieve complicaties te maken. Er komt wel weer een tijd dat ik niet meer zo dikwijls op pad moet, troost ik mezelf.

De dikste plus is de natuur. Bij elke stap die ik buiten zet, weer of geen weer, denk ik: dit wil ik niet meer missen.

Al mis ik A ook wel. Dat staat in het min-rijtje. Ik mis A. Maar ach, volgende week neem ik de trein en ’s avonds ben ik weer in A en bij A. Voor een weekje.

Wennen

We zeggen het wel honderd keer tegen elkaar: het was het beste voor hem. En toch schiet mijn gemoed nog regelmatig vol.

Ik luister naar wat anderen zeggen: hij heeft een lang en mooi leven gehad. Een lang leven, zeker, en vele mooie momenten. En ook andere. Een mens, eigenlijk.

Ik vraag me soms af hoeveel mensen er op datzelfde moment gestorven zijn, velen eenzaam, in pijn, in nood, in gevecht. Mijn vader heeft het al bij al goed gehad.

Hij nam veel plaats in en het is nu wennen aan een lege hoek. Wat ga ik met die vrijgekomen ruimte doen? Voorlopig niets, mijn gedachten laten dwalen, in ver en dichterbij verleden. En in de rituelen die we de komende dagen zullen uitvoeren om hem te eren.

Want al was hij niet de gedroomde vader, met veel en soms vreemde omwegen heb ik toch van hem geleerd. En daarom eer ik hem ook.