Hoe het ook kan

 

Manuscripten insturen naar uitgeverijen is soms een frustrerende bezigheid. De meeste uitgeverijen sturen een standaardantwoord en met een beetje geluk volgt er maanden later een standaardafwijzing. Sommige uitgeverijen reageren helemaal niet, zelfs niet met een ontvangstbevestiging. Maar er zijn uitzonderingen. Ik laat jullie graag meegenieten van deze bijzonder vriendelijke correspondentie. Ook als ze mijn manuscript niet aanvaarden, heb ik nu veel sympathie voor deze uitgeverij. Ik hoop dat ze beseffen wat voor een waardevolle medewerker ze in huis hebben.

 

Beste,
Momenteel is het erg onhandig om post te versturen vanuit Frankrijk. Ik woon in een afgelegen dorp en wij mogen ons momenteel slechts zeer beperkt en enkel om noodzakelijke redenen verplaatsen. Bovendien is de doorgaans vlotte werking van de Franse post zoals overal verstoord. 
Mag ik mijn manuscript uitzonderlijk via e-mail insturen? 
Met vriendelijke groeten,
C.

 

Beste mevrouw V.,
Dat mag. Graag met begeleidende brief.
Met vriendelijke groet,
R.

 

Fijn! Dankjewel!Ik stuur het dit weekend nog op. 

Prettige dag,

C.

 

We zien het graag tegemoet!

Met vriendelijke groet,

R.

 

Goedemorgen,

Het is een mooie dag om een manuscript in te sturen. Hier is het, samen met een begeleidende brief, met de synopsis, en met een aanbeveling door Literatuur Vlaanderen. 

Hartelijk dank om alles door te nemen.

Met vriendelijke groeten,

C.

 

Beste mevrouw V.,

Bedankt voor uw interesse in onze uitgeverij. Wij hebben uw manuscript in goede orde ontvangen. Het zal enige tijd duren voordat u iets van ons hoort. Rekent u ongeveer op drie maanden. 

Met vriendelijke groet,

R.

 

Dank je wel en fijne dag!

C.

 

Beste R.

Ik merk net dat de links in de pdf-versie van mijn brief niet openen. Ik stuur daarom de Word-versie achterna. Excuses voor het extra werk en dank om mijn brief bij het dossier te voegen. 

Vriendelijke groeten,

C.

 

Beste C.,

Dat is niet erg, ik geef het aan de redactie. 

Met vriendelijke groet,

R.

 

Dank je wel!

C.

PS Wat ben jij een vriendelijke contactpersoon. Dat is echt niet overal zo. Blijf vooral zo!

 

Dank je wel, C.!

Zeer vriendelijk van je om dat aan mij terug te geven. Insgelijks!

Met vriendelijke groet,

R.

 

Besluit: Vriendelijkheid is aanstekelijk.

 

PS. Met de ‘nieuwe’ WordPress editor vind ik het veel lastiger om mijn tekst op te maken. Zo krijg ik ongewenste witregels niet weg, ook niet in de html-mode. Heeft iemand een oplossing daarvoor?

Dilemma

Katten kiezen zelf hun baasjes, zegt men, en bij mij is dat niet anders. Sterker nog, katten komen bij mij de baas spelen. Dat was zo met Zohra, een verdwaald kattenjong dat door een vriendin tijdelijk bij mij ondergebracht werd en uiteindelijk haar hele leven bleef. En ook met Sapphir die ik in huis nam zodat ze de laatste maanden van haar leven niet op straat hoefde door te brengen, maar uiteindelijk nog zes jaar bleef leven. En het is nu niet anders met Cacahuète die bij mij op het terras kwam wachten tot Sapphir haar laatste adem uitblies en vervolgens haar plaats innam. 

Eerst tolereerde ik hem, daarna voerde ik hem en tenslotte adopteerde ik hem, op voorwaarde dat hij op het terras in zijn eigen huisje bleef wonen. Dat kangoeroewonen ging prima tot ik merkte dat hij zwaarlijvig en passief werd, en met zijn achterpoten begon te slepen. Er waren verschillende pogingen voor nodig om hem naar de dierenarts te krijgen, ik bespaar jullie de gevechten, de kapotgetrapte transportkooi, en de zeer onaangename geuren tijdens de uiteindelijke rit naar de dierenarts. Daar was het verdict verbijsterend: Cacahuète heeft diabetes. Ik wist niet eens dat dat bij katten kan voorkomen. Ik ging naar huis met een dure zak aangepaste voeding, een flesje insuline en een doos injectienaalden. 

Na een paar weken bracht ik hem terug naar de dierenarts en vroeg ik haar om zijn leven te beëindigen. Ik had de indruk dat de behandeling niet aansloeg en dat hij leed. Bovendien was hij min of meer incontinent geworden en was mijn gezellige binnentuintje een kattenbak geworden. De dierenarts weigerde hem uit zijn lijden te verlossen, ze vond dat ik de behandeling meer tijd moest geven. Dat die behandeling ook nog eens een grote hap uit mijn budget nam, daar had ze geen oren naar. 

Ik besloot het een tijdje aan te zien. En dat tijdje duurt nu al een paar maanden. Cacahuète heeft zijn kangoeroewoning verlaten en woont nu bij mij in huis. Hij heeft met vallen en opstaan de kattenbak leren gebruiken, eet zonder klagen zijn suikervrije kattenkorrels, en vraagt twee keer per dag naar het insulinespuitje. Om zes uur miauwt hij mij uit bed, kort daarna zet hij mij aan het werk met de kattenbak. Als de zon schijnt wil hij naar buiten, als het koud is, twijfelt hij op de drempel en gaat vervolgens achterwaarts weer naar binnen. 

Kortom, hij is de baas. Ik ben aan handen en voeten aan hem gebonden en hij kost me stukken van mensen. En wat ik misschien nog wel het ergste vind, is dat hij een enorme hoop afval produceert: twee wegwerpspuiten -plus de verpakking- per dag, en twee loodzware zakken goed doordrenkt kattenzand per week. Ik vrees dat de man die op dinsdagochtend ons huisvuil ophaalt zich wel eens afvraagt wat er in die loodzware zakken zit. 

Maar… hij is wel de allerliefste, meest affectieve kat die ik ooit heb gehad. Hij kijkt me aan met grote verwonderde ogen, komt tegen mijn benen wrijven, gaat op zijn zwakke achterste poten tegen me aan staan en vraagt om op schoot te mogen zitten. Eens hij die plek verworven heeft, vlijt hij zich tegen me aan en duwt hij zijn kop in mijn hals of onder mijn arm. 

Op zulke momenten vergeet ik het slavenwerk, mijn krappe huishoudbudget, mijn beknotte vrijheid, het bedreigde klimaat en de arme vuilnisman. 

Vorige dinsdag kruiste ik toevallig die laatste toen ik terugkwam van mijn ochtendwandelingetje. Ik zag hem de zware zakken uit de container tillen. Hij vroeg niets, hij deed het gewoon. 

‘Merci beaucoup,’ zei ik.

‘De rien,’ zei hij met een grote glimlach.

Sindsdien is de balans in evenwicht, en blijft mijn dilemma gewoon een dilemma. 

In betere tijden, toen we nog kangoeroewoonden.
Territorium eindelijk verworven.

Gered

Volgens de virologen redden we levens door eenvoudigweg thuis te blijven. Dat is voor mij een kleine moeite. Elke avond, nadat ik mijn bed heb bedankt omdat het zo warm en zacht is, tel ik even na hoeveel levens ik alweer heb gered en zo val ik vlotjes in slaap. Soms droom ik dan over mensen die dankzij mij niet naar het ziekenhuis hoeven. In deze rare tijden zoek ik troost in kleine dingen. 

Deze week heb ik echt een paar levens gered. Niet door thuis te blijven maar juist door op stap te gaan. Net voor de duisternis zou invallen, en dat is al vroeg tegenwoordig, zou ik nog even naar het dennenbos wandelen om denappels te rapen. Eerst zag ik vlakbij huis twee loslopende ooien aan de straatkant staan. Ze stonden gemoedelijk te grazen en het leek me niet echt een gevaarlijke situatie, maar ik belde de boerin toch maar op. 

‘Tja,’ zei ze, ‘laat ze daar maar. Ik ben nu niet in het dorp, ik haal ze morgenvroeg wel op.’ 

Even later kruiste ik een terreinwagen met twee jagers. Ze stopten en vroegen of ik ‘du coin’ was. 

‘Ja,’ zei ik, na acht jaar en twee maanden mag ik wel zeggen dat ik van hier ben. 

Of ik wist dat er op de kam wilde honden rondliepen?

‘Nee,’ zei ik. 

‘Ze jagen de schapen op,’ zei de jager. (Ze waren zelf op Isards, Pyreneese gemzen, gaan jagen. Maar zij hebben een jachtvergunning en die honden niet.)

‘Kun je de boeren verwittigen?’, vroeg de jager. 

‘Zal ik meteen doen,’ zei ik en heel even vergat ik mijn onbegrip voor jagers, ik bedankte hen. 

‘Merde!’ riep de boerin uit, toen ik haar opnieuw belde.  Ze kon niet komen, ze was in een hoger gelegen gebied bij de koeien. 

‘Kun je de andere schapenfokkers niet bellen?’ vroeg ik, goed wetende dat ze niet de beste maatjes zijn. 

‘Zal ik doen,’ zei ze.  

Twee dagen later kwam de boerin mij bedanken. Na mijn telefoontje had ze de fokkers, die net als zij schapen op de bergkammen rond het dorp hebben lopen, opgebeld. Die waren in het donker de berg opgereden. Hun kudde was het meest getroffen, een paar dode schapen en meerdere gewond. In de kudde van de boerin waren ook een paar schapen gebeten. 

‘Maar het had veel erger kunnen zijn, als ze de hele nacht op de berg waren gebleven,’ zei ze. 

Het enige wat ik had gedaan was een telefoontje plegen, maar ze bedankte mij herhaaldelijk.

Levens redden, het is een beetje zoals schrijven. Je verdient er niets mee, maar het voelt wel goed. 

Intussen in Frankrijk -30

Nummer dertig van de reeks ‘Intussen in Frankrijk’ zou de laatste worden en ik denk dat het ook zo zal zijn. Het virus is er nog steeds, het laait net als overal op, en het zal hier nog een tijdje blijven. We moeten ermee leren leven, klinkt het. 

Ik besef maar al te goed in wat voor luxesituatie ik leef, bijna afgezonderd van de zieke wereld, hoog en droog, lekker warm en veilig. 

Een keer per week ga ik naar het dal boodschappen doen. Gisteren was ik in Prades. Overal mondkapjes. Ik ben het intussen gewend. De cafés en restaurants zijn nog open en ze zijn dichtbevolkt. Aan tafel mogen de mondkapjes af, dus blijven de klanten zitten. 

Tot een paar weken geleden kende ik niemand die Covid 19 had, maar nu hoor ik van vrienden en familieleden dat het dichterbij komt: twee van mijn nichtjes, familieleden van een dorpsgenoot, de zoon van onze factrice…

Het enige nadeel dat ik zelf ondervind is dat ik minder bewegingsvrijheid heb: naar België reizen is nu niet aan de orde, mijn zieke zus bezoeken ook niet, even de grens naar Spanje oversteken lijkt al heel lang geleden. 

Gelukkig werkt de telefoon en het internet. Ik klaag niet. De dingen gaan gewoon anders. Ik wen aan nieuwe mogelijkheden: online contacten in groep: Shut Up & Write, poëzieworkshop, Heartfulness meditatie… En verder is het geduld hebben en hopen dat de mensen hun verstand gebruiken. 

Ik wens iedereen die het lastiger heeft dan ik, veel sterkte toe. 

Treffende gelijkenis

Het kindje van deze jonge dame zag haar mama in het schilderij op de cover van Colombe. Dank aan de oma die deze foto van haar dochter via via naar me doorstuurde. 

Het schilderij heet ‘June’ en werd in 1893 gemaakt door Ellen Day Hale, een Amerikaanse kunstenares die een opleiding kreeg in Parijs. Het hangt in The National Museum of Women in the Arts in Washington.

Hoe poets je een kerk?

Sinds een jaar of vijf ben ik de sleutelbewaarder van ons kerkje, en af en toe vragen weekendwandelaars of ze de binnenkant van de kerk mogen zien. Als ik niet net onderweg naar de tuin ben, om prei te planten of tomaten op te binden, doe ik meestal met plezier de kerkdeur voor ze open.

De meeste bezoekers reageren verbaasd en blij verrast, maar de laatste bezoekers merkten terecht op hoe vuil de kerk was. Ik verontschuldigde mij. In normale omstandigheden poetsen we ter gelegenheid van het jaarlijkse dorpsfeest met een aantal dorpelingen samen de kerk. Er is dan meestal ook een katholieke misviering, en daarna een receptie voor gelovigen en ongelovigen (waaronder ik, voor alle duidelijkheid). 

Dit jaar is er geen dorpsfeest, geen misviering en dus ook geen poetsbeurt. Ik zou een aantal dorpsgenoten kunnen optrommelen en voorstellen om ook zonder feest een poetsbeurt te doen, maar ons bevolkingsaantal slinkt elk jaar en er zijn niet veel actieve vrijwilligers meer. Ik heb dan maar besloten om de kerk zelf te poetsen met het oog op het volgende bezoek van mijnheer G. en mevrouw C., die beloofden dat ze nog eens zouden terugkomen. 

Aangezien ik recht tegenover de kerk woon en ik dus geen tijd hoef te verliezen met woon-werkverkeer, kan ik het werk gemakkelijk opdelen. De komende dagen ga ik een halfuurtje tot een uurtje per dag poetsen. Ik beperk de tijd en ik baken de zones af die ik onder handen ga nemen: het schip, het zijaltaar links, het hoofdaltaar, het zijaltaar rechts, de sacristie, de bovenverdieping (waarvan ik de naam vergeten ben).

En die methode werkt bijzonder inspirerend. Terwijl ik de houten banken afwas of het enorme tapijt stofzuig, schieten mij zowaar versregels te binnen. Of een idee voor een blogpost. En nog beter: een methode om mijn eigen huis net en op orde te houden. Namelijk op dezelfde manier: elke dag een halfuurtje tot een uurtje, elke dag een zone. 

Op dezelfde manier kun je trouwens een trui breien of een boek schrijven, of vertalen. Elke dag een uurtje, elke dag een zone.

Een zijaltaar

Het ware verhaal van Colombe

Bij mijn huisje staat een poortje dat het weggetje langs mijn huis met de straat, de rue de l’église, verbindt. Dat poortje doet dienst als deurbel, want bezoekers moeten er zo hard aan rukken om het open te krijgen, dat ik aan het morrelen èn het morren hoor dat er iemand op het erf komt. Maar gisteren, nadat ik even naar de moestuin was geweest, had ik het open laten staan. En, ik had het kunnen weten, het was zondag, er waren wandelaars in het dorp. Ik hoorde stemmen bij de kerk en even later zag ik door het open raam van mijn woonkamer een dame langs mijn huis lopen. 

‘Doe dat niet!’ hoor ik iemand roepen, ‘dat is een woonhuis!’

De dame kijkt een paar tellen naar het achterste gedeelte van mijn huis en keert dan terug naar de straatkant. 

‘Ik denk dat het gerestaureerd wordt,’ zegt ze. 

Ik hoor de stemmen wegsterven en sla verder geen acht op deze zondagse toeristen.

Even later, wanneer ik een paar flessen naar de glasbak breng, zie ik hen picknicken bij de fontein en een uur later hangen ze nog steeds rond in het dorp. Als ik een paar tomaten uit de moestuin wil gaan halen, spreekt de dame mij aan. 

‘Woont u hier?’ vraagt ze. Ik knik. 

‘Het hele jaar door?’

‘Ja.’

‘Al lang?’

‘Deze week, precies acht jaar,’ zeg ik.

‘Mijn vriend heeft hier familie op het kerkhof liggen,’ zegt ze. 

Ze wijst naar de kerkhofmuur en ik zie er het hoofd van een oudere man bovenuit steken. Hij kijkt in onze richting en komt vervolgens naar ons toe. 

‘Mijn vader heeft hier gewoond,’ zegt hij, ‘hij heette Garrigue’. Ik knik opnieuw want toevallig ken ik alle namen op de zerken van ons kleine kerkhof. 

‘Ooit ben ik met mijn vader op zoek gegaan naar zijn geboortehuis, Mas Nou, het ligt aan de andere kant van de berg. Er woonde toen een Belg. Hij wilde ons niet binnenlaten.’ 

‘Jullie hadden maar niet moeten weggaan,’ had de toenmalige eigenaar gezegd.

Het klinkt bitter en ik schaam me een beetje voor die onhoffelijke landgenoot. 

‘En mijn moeder,’ gaat hij verder, ‘heette Trabis.’

Mijn hart maakt een sprongetje.

‘Colombe Trabis?’ vraag ik.

‘Dat was haar grootmoeder.’

‘Oh,’ zeg ik, ‘het graf van Michel en Colombe, dat ken ik goed. Ik heb er een boek over geschreven… Ik bedoel, ik werd geïnspireerd door hun namen en door het leeftijdsverschil,’ stamel ik. 

Dat ik een boek heb geschreven lijkt niet veel indruk te maken, we gaan nog even door over het leeftijdsverschil. 

‘Colombe is heel oud geworden,’ zegt de man. ‘Nochtans heeft ze tyfus gehad. Want haar dochter, mijn grootmoeder is toen teruggekeerd naar Glorianes om voor haar moeder te zorgen. Helaas werd ze zelf besmet en stierf ze eraan. Ze was amper veertig. Terwijl Colombe zesentachtig is geworden. Ze woonde achter de kerk.’

Mijn mond valt open. 

‘Achter de kerk?’

‘Ja, we zijn er even gaan kijken, maar we durfden er niet binnen te gaan.’

‘Maar… dat is waar ik woon,’ zeg ik.

‘Er waren twee huisjes, zij woonde in het laatste.’

‘Dat klopt,’ zeg ik, ‘mijn huis bestaat uit twee piepkleine huisjes. Colombe woonde dus in mijn keuken.’

Helemaal van slag, vraag ik of ze misschien de binnenkant van de kerk willen zien. Dat willen ze graag en ik haal de sleutel. Ze vinden de kerk heel mooi, maar een beetje vuil. 

‘Heb je geen stofzuiger?’ vraagt de man. 

‘Jawel, zeg ik, maar het is er dit jaar nog niet van gekomen om de kerk te poetsen. Dat doen we gewoonlijk een keer per jaar.’

‘Ik wil je wel komen helpen,’ zegt de vrouw. Zij is Spaanse, vertelt ze me. Ze heet Angela, en niet Amparo, zoals ik een ogenblik fantaseerde. 

Ze bedanken mij en nemen afscheid. 

Met knikkende knieën ga ik terug naar mijn huis. Het huis waar Colombe en Michel hebben gewoond. In mijn keuken. Na een tijdje besef ik dat ik die mensen niet eens heb uitgenodigd om naar mijn huis te komen kijken. Ik haast me naar de plaats waar hun auto stond, maar ze zijn al weg. 

In de witte gids vind ik een Angela C. die in Ria-Sirach woont. Ze heeft nog een vast nummer. Ze klinkt blij verrast als ze mijn naam hoort. Ja, ze komen graag nog een keertje terug.  En ze zullen het familieboekje, met alle geboorte- en sterfdata erin, meebrengen.

De gedenkplaat op het graf van Colombe en Michel op het kerkhof van Glorianes

De achterkant van mijn huisje, waar Colombe nog lang na de dood van Michel heeft gewoond.

Cacahuète zoekt oppas

Wat hij zoekt:

Een lieve oppas die hem van 6 tot 26 september (*) gezelschap wil houden in ons huisje, die hem op tijd zijn natje en zijn droogje geeft en die hem ’s ochtends en ’s avonds een insulinespuitje wil geven.

* Een kortere periode kan ook.

Wat hij biedt:

Een gezellig huisje, een enorm wandelgebied, leuke dingen om te doen in de omgeving, en heel veel liefde.

Bij de dierenarts (op de schoot van assistente Blanche)

Samen ziekjes op de sofa (in mei)

Intussen in Frankrijk… 29

… lijken de Fransen er nog vrij gerust in. Ze blijven ‘se faire la bise’ alsof er niets aan de hand is. Mij niet gezien.

… kreeg ik bezoek uit België en werd mijn huis aan de buitenkant door hen helemaal opgefrist.

… en ging ik na weken zona/sofa, met de hulp van Els en Lydia, terug aan de slag in de moestuin.

… durf ik niet meer te gaan zwemmen in het meer van Vinça, te veel zonners, te veel zwemmers.

… werkte ik met illustratrice Gerd in onze gemeentelijke gîte aan een prentenboek.

… ging ik naar een c-proof miniconcert in de ‘grange’ van onze burgemeester.

… ga ik nu elke zaterdag gemaskerd naar de markt in Prades.

… maar blijf ik verder zoveel mogelijk op de berg.

… werd mijn moestuin uitgeroepen tot ‘le plus beau jardin, un vrai jardin de curé!’ door onze lieftallige factrice, die dagelijks heel wat tuinen ziet.

… hebben we sinds twee weken een officiële petanquebaan.

… hoop ik dat de dertigste ‘intussen’ de laatste mag zijn.

20200801_181034

 

20200729_194753

20200729_195007