Doe uw masker af?

Het station van Perpignan, half zeven ’s morgens. Een twintigtal mensen staren naar het scherm waarop de trein naar Brussel netjes op tijd aangekondigd staat. Alleen het spoor is nog niet aangegeven. Het zou een mooie foto kunnen opleveren, al die geheven hoofden, die gespannen op een hoofdletter wachten.

Ik zie twee mensen in gesprek. Het lijkt alsof ze elkaar kennen en herinneringen ophalen, maar dan zie ik dat de ene de andere afschudt en wat verderop vrouw en kind vervoegt.

De andere keert zich naar mij. Ik zag het aankomen. Op een of andere manier moet ik er heel aanspreekbaar uitzien, zelfs met een masker op, want het is altijd bij mij dat ze moeten zijn, die types die nood hebben aan conversatie tijdens het wachten.

‘De trein staat er al een uur,’ zegt hij, ‘Hij staat op spoor E.’

Ik knik, ik geloof hem wel, maar ik wacht toch liever de bevestiging op het scherm af.

‘Ze melden het altijd op het laatste moment,’ zegt hij, ‘maar die trein staat daar al een uur. Mijn vrouw is daar al, op het perron.’

Ik vraag me af waarom hij dan niet bij zijn vrouw is, maar ik knik alleen maar en tuur verder naar het scherm.

‘Ik bracht eens een man van vijfennegentig jaar naar de trein. Pas een paar minuten voor het vertrek, werd het spoor aangekondigd. Ik hielp hem nog naar het perron, maar we kwamen te laat, en ik kon hem met de auto naar Parijs brengen. Waar gaat u heen?’

‘Naar Brussel,’ zeg ik, en ik heb meteen spijt dat ik de waarheid zeg.

‘Brussel! Mijn zoon is daar! In Edith Cavel, het hospitaal!’

‘Werkt hij daar?’ vraag ik. Nog meer spijt, want hij kan er werken, maar hij kan er ook liggen.

Gelukkig heeft hij mijn vraag in het rumoer niet verstaan.

‘Doe u masker eens af,’ zegt hij.

Ik kijk hem verbaasd aan.

‘Doe uw masker af, zodat ik uw gezicht kan zien.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘Neen’. Ik zoek naar woorden die ik daaraan toe zou kunnen voegen, maar het is niet nodig. Hij heeft het begrepen. Zo gemakkelijk is het dus: neen, punt.

Op dat moment verschijnt de letter E op het scherm. De massa beweegt zich in de richting van de roltrap en ritst daar braaf in. Hij neemt de vaste trap.

Als ik beneden aankom zie ik hem in gesprek met een vrouw. Ze neemt haar masker af. Hij zwaait naar haar en haast zich naar spoor E, waar zijn eigen vrouw blijkbaar op hem wacht. Vanop mijn zitplaats in de trein zie ik ze nog afscheid nemen. Gelukkig reist hij niet mee.

Een zomer als (g)een ander

En opeens is het september, zelfs bijna half september, zelfs bijna oktober, al bijna najaar dus. De zomer schoof onder ons door en liet niet veel na. Er waren minstens evenveel grijze dan zonnige dagen, er kwam maar geen regen, de bijen hadden honger, in de tuin groeide zelfs het onkruid niet.

Alleen in de tuin van de burgemeester staan dit jaar opvallend veel en grote zonnebloemen. En wie dichterbij gaat kijken ziet er meer eetklare groenten dan er in het winkeltje van de groenteboer van Joch te koop zijn. Zij heeft als enige van het dorp de droogte verslagen door een ingenieus bewateringssysteem in haar tuin te installeren. Ze is niet voor niets burgemeester, ze is de slimste, de meest ondernemende en de handigste van het dorp. Ze deelt eieren en komkommers uit want haar kippen krijgen elke dag groenvoer en de komkommers groeien haar boven het hoofd.

Er heerst geen honger in ons dorp. Maar er zijn kleine en grotere ‘kwesties’ zoals overal waar mensen leven. En het wereldnieuws deed er nog een duit bovenop.

Wil ik deze zomer dan zo snel mogelijk vergeten? Ach nee, er waren ook mooie dingen. Zo stonden er op een dag twee nieuwe picknicktafels naast de pétanquebaan. Ik vond genoeg vrijwilligers om de fontein een jaarlijkse poetsbeurt te geven. Daarna speelden we een partijtje jeu de boules en aten we samen aan de nieuwe tafels.

De groep Paradaïka, waarvan de klarinettist een dorpsgenoot is, gaf een gedenkwaardig concert. Er werd tot aan het ochtendgloren gedanst, gedrumd en trompet gespeeld en niemand van de afwezigen heeft geklaagd.

Zelf ben ik deze zomer niet altijd even voorzichtig geweest, maar wel gezond gebleven. Ik genoot een paar weken van aangenaam gezelschap en besefte ook weer hoe ik, net als Tjitske Jansen in het gedicht Liefste, graag alleen ben.

Paradaïka op ons dorpsplein

Komkommertijd

Een paar dagen nadat ik met de buurman gesproken had, kwamen vrouw en dochter ook aan. Het was wennen aan de geluiden en zelf durfde ik de radio niet te hard aan te laten staan. ’s Morgens vroeg ging ik op mijn tenen de deur uit voor de ochtendwandeling, want mensen die met vakantie zijn wil je niet wakker maken.

Er werd wederzijds wat afstand gehouden en ergens vond ik dat droevig, maar tegelijk ook rustig. Ik had nog één gesprekje met de buurman, toen ik hem op een dag op het muurtje tussen onze huizen zag zitten, bezig met het verwijderen van de klimop aan hun kant van de muur. Hij vertelde dat hij het naar zijn zin had in het nieuwe land, dat zijn dochter er in een ruimere omgeving opgroeide en dat hij hield van de Noord-Amerikaanse tuinen, die in de zomer groen schijnen te blijven. Wat, in ieder geval deze zomer, hier niet het geval is.

Kort na de aankomst van moeder en dochter, streken nog twee andere gezinnen met kinderen neer in het dorp: vrienden van mijn buren die elk een zomerverblijf hebben in ons dorp. Ik hoorde nu regelmatig kinderen rond de kerk spelen of in het bovengronds zwembad van de buren plenzen. Ook daar wende ik aan, wetende dat het rumoer tijdelijk was en ook wel blij voor hen dat ze zich amuseerden.

Sinds gisteren zijn ze allemaal weer weg. Begin juni is er elk jaar een dag waarop ik me realiseer dat de vogels me ’s ochtends niet meer wakker zingen en vandaag voelt het net zo. Het is nu weer wennen aan de stilte.

Buurman

Buurman

Mijn moestuin ligt ongeveer in het midden van het dorp, recht tegenover het kerkhof en naast de pétanquebaan en toen ik gisteren wat munt ging halen voor de taboulé die ik aan het maken was, hoorde ik opeens mijn naam roepen. Dat alleen al was een uitzonderlijke gebeurtenis in ons stille dorp. En toen ik omkeek, zag ik tot mijn verbazing mijn teruggekeerde buurman op me afkomen. 

Hij zei heel vriendelijk goeiedag en vroeg hoe het was. 

‘Ça va bien, merci,’ zei ik, ‘et toi, comment vas-tu ?’ vroeg ik wat verbouwereerd. 

Met hem ging het ook goed en hij vroeg hoe het met de tuin ging. 

‘Minder goed, dit jaar,’ zei ik, wijzend naar de takjes pepermunt in mijn hand, zowat het enige wat er deze dagen te oogsten valt. 

‘Hoe komt het?’ vroeg hij. En voor ik het goed en wel besefte waren we in een gesprek verwikkeld over de koude lente, de kwakkelende zomer, de nood aan licht voor zaailingen, en het belang van goede potgrond. Alsof hij nooit was weggeweest en alsof we ooit tuinmaten waren geweest. 

Na een minuut of tien rondde ik het gesprek af met de mededeling dat ik het middageten ging klaarmaken. Hij wenste mij smakelijk eten maar wilde toch nog weten of ik nog last had gehad van het geluidsysteem dat muizen moet weghouden in zijn huis. 

‘Nee,’ zei ik, ‘het is me niet meer opgevallen.’ Nadat hij de eerste keer vertrokken was, stond de zoemtoon vrij hard en toen ik hem het jaar daarop terugzag, had ik gevraagd om het zachter te zetten. 

‘Weet je,’ zei hij, ‘ik heb dat echt geïnstalleerd om de muizen weg te houden, niet om jou te ambeteren.’

‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘dat weet ik wel.’

Terug thuis had ik spijt dat ik het gesprek zo snel beëindigd had. Alle vragen die ik had, waren onbeantwoord gebleven: waar hij nu woont, wat hij daar doet, of hij daar gelukkig is en of hij ons dorp niet mist. Ik kan er maar een klein beetje naar raden: het leek me overduidelijk dat hij blij is om hier terug te zijn. 

Het is nu afwachten naar een volgende gelegenheid. Als die er nog komt. 

Buren

Ons dorp is zo klein dat we allemaal buren van elkaar zijn. Alleen de boerderij ligt op een kilometer van het dorpsplein. En op de weg naar het dal staat na drie kilometer ook een bewoond huis dat nog bij het dorp hoort. 

Het huis dat aan het mijne grenst is al een tijd niet meer het hele jaar door bewoond. De eigenaars verhuisden vier jaar geleden naar de V.S.

Het waren, eerlijk gezegd, geen hartelijke buren. Ik deed erg mijn best om een goede buurvrouw te zijn, nodigde hen een paar keer uit en ging er ook wel eens op de koffie. Maar de gesprekken verliepen stroef en verder dan het krappe keukentje dat op het gemeenteplein uitgeeft, kwam ik niet. 

Op een dag was ik aan de overkant van het plein onkruid aan het wieden op de trappen van de gîte communale. Ik zag mijn buren hun huis uitkomen en allerlei dingen verplaatsen in de tuin. Ik zwaaide, maar ze zwaaiden niet terug. 

De volgende dag waren hun luiken dicht en was de auto, die altijd op het gemeenteplein geparkeerd stond, weg. De luiken bleven gesloten, de auto kwam niet terug.

Pas na een maand kwam ik erachter dat ze voorgoed vertrokken waren. De factrice zei me dat hun post doorgestuurd werd naar het adres van de ouders van de buurman. Een dorpsgenote deed wat speurwerk en ontdekte via facebook dat ze in Chicago woonden, waar de buurvrouw oorspronkelijk vandaan kwam. Dat ze niet eens afscheid hadden genomen hadden deed toch een beetje pijn. 

Nu is de buurman terug. Ik hoor hem stofzuigen, dat zal wel nodig zijn na twee jaar afwezigheid. Ik hoor hem maaien in zijn verwilderde tuin. Ik hoor geen stemmen. Blijkbaar is hij alleen. Misschien komen vrouw en kind later. Zoals in de zomer van 2019. Toen bracht ik hen een bakje aardappelen en groenten uit mijn moestuin. 

Dit jaar heb ik nog geen toonbare groenten. En misschien maar beter zo. 

Bestek

Als iemand mij vraagt hoeveel inwoners ons dorp telt, zeg ik meestal vijftien. Dat klopt niet altijd want we kennen hier net als overal demografische verschuivingen. 
In de negen jaar dat ik hier woon heb ik in ons dorp twee huwelijken en een geboorte meegemaakt. En ook twee scheidingen. En ja, het waren dezelfde paren. Het eerste paar ging na vijf jaar uit elkaar. Het tweede na drie jaar. De mannen gingen weg uit het dorp, de vrouwen bleven.
De vrouw van het eerste paar kreeg algauw een nieuwe vriend en daarna een andere nieuwe vriend. De vrouw van het tweede paar kreeg ook een nieuwe vriend. De nieuwe mannen kwamen naar het jaarlijkse kersenfeest en het petanquetoernooi, en alles leek goed te gaan.
Maar vorig jaar kwam de man van het tweede paar terug in het dorp wonen met zijn nieuwe vriendin. Nu zijn ze uit elkaar. En de vriend van zijn vrouw is ook ergens anders gaan wonen zodat het oorspronkelijke paar nu als vrijgezellen in ons dorp wonen, op een steenworp van elkaar.
‘Zouden ze terug bij elkaar komen?’ vroeg ik aan de vrouw van het eerste paar.
‘Wie weet,’ zei ze, ‘het zou misschien geen slechte zaak zijn.’ 
Mais moi,’ zei ze, ‘je ne remets pas les couverts. Eens de tafel afgeruimd, dek ik de tafel niet opnieuw.’ Ik geloof haar. 

Scènes in een trein

In de tgv naar Montpellier is het in Brussel nog erg rustig. In Lille wordt het druk. Er stappen verbazend veel mensen op. Verbazend omdat we nog steeds met een pandemie opgescheept zijn en je zou denken dat velen de zin voor het reizen vergaan is. Maar deze wagon zit bijna vol en ik hoor de gebruikelijke vragen: zit u hier? Bent u zeker? Enz. Alles op beleefde, zelfs vriendelijke toon. Blijkt dat ik zelf ook op iemands plaats zit. Ik had oorspronkelijk twee plaatsen geboekt en ik ging ervan uit dat de plaats aan het raam die ik een paar dagen voor mijn vertrek geannuleerd had, was vrij gebleven. Maar de man op wiens plaats ik zit, had bij het opstappen in Brussel niet de moeite gedaan om me aan te spreken. Hij was gewoon ergens anders gaan zitten. Nu moet hij zijn plaats aan een nieuw opgestapte passagier afstaan. Ik verontschuldig me, leg uit dat ik oorspronkelijk de twee plaatsen had geboekt en maak aanstalten om te verhuizen.

De man maant me vriendelijk aan om te blijven zitten en gaat zelf op mijn officiële plaats zitten. Probleem, dat niet eens een probleem blijkt, opgelost. Naast deze man, een late dertiger, kaalgeschoren hoofd, maar volle baard, die met mij in het Engels communiceert, maar aan de telefoon een zangerige taal met veel sj en sch spreekt, en, als hij zijn duur uitziende jasje uitdoet, stevige biceps laat zien, voel ik me volkomen op mijn gemak. 

Twee stoelen verder hoor ik een gelijkaardig gesprek tussen een witte Franstalige man, die zijn best doet om Engels te spreken, en een donkere man met korte dreadlocks. De eerste heeft een officiële SNCF-plaats, de tweede een vliegtuigticket naar Costa Rica met een bijbehorend treinticket naar Parijs. De tickets worden vergeleken, de Fransman probeert te begrijpen waarom ze allebei dezelfde plaats hebben, want alles klopt: wagonnummer en zitplaatsnummer. Hij legt vriendelijk uit dat er sprake is van een dubbele boeking. De donkere man wil zijn plaats afstaan, maar de witte man zegt: Blijf gerust zitten, ik ben net zomin als u de eigenaar van deze plaats. 

De tranen springen in mijn ogen. Heb ik het goed gehoord? Ik heb deze reis al zo vaak gemaakt en ik ben meer dan eens getuige geweest van nerveuze, soms onvriendelijke, tot zelfs agressieve discussies over zitplaatsen. En nu vandaag, hier, twee keer na elkaar zoveel hoffelijkheid. Zou er dan toch iets veranderd zijn? Of is dit toeval? Ik heb nog zes uur reis voor de boeg, er zullen nog heel wat mensen op- en afstappen, ik spits mijn oren. 

Intussen in Frankrijk… -31

… is het meer dan een maand later en is de sneeuw gesmolten. Er hangt zelfs al lente in de lucht en er komt ook lente uit de grond: maartse viooltjes (en het is nog maar februari!), wilde bieslook, wilde preitjes, vogelmuur en brandnetels en munt, en ook de gekweekte kruiden, peterselie, koriander en bieslook strekken zich al richting zon. 

Maartse viooltjes, ze zijn vroeg en met velen…

We leven nog steeds in een halfslachtige ‘confinement’, waarover ik persoonlijk niet te klagen heb. Ik vind het echt niet erg om voor zes uur thuis te moeten zijn. Overdag zijn de winkels en ook de kappers nog open. Het is alleen wachten op het opengaan van cafés en restaurants, en natuurlijk op het mogen reizen. Maar ik berust, en oefen geduld, en ook dat valt me niet zwaar.

Ik wandel veel, ik begin de moestuin aan te leggen en sprokkel de takken die door wind en sneeuwval overal in het dorp liggen. 

Verder schrijf ik, soms samen met anderen, soms in mijn eentje, of dwaal ik op het internet en ontdek ik mogelijkheden waar ik een jaar geleden niet aan gedacht zou hebben. 

Het leven lijkt langzamer en zelfs wat saaier, maar dat klopt niet helemaal, want het afgelopen jaar heb ik meer mensen leren kennen dan in de vorige acht jaar samen. En ik had me eerder nooit kunnen voorstellen dat vriendschap ook online kan groeien. 

Nog eens, niets te klagen. Maar ook geen ophefmakende dingen te melden. Daarom misschien dat de blogberichten wat langer wegblijven…

Maar kijk, er is veel moois te lezen in blogland, en in afwachting van mijn terugkerende inspiratie, verwijs ik jullie graag door naar deze jonge belofte: Ruby Elisabeth.

Ik volg haar iets meer dan een jaar, denk ik, en haar berichten lezen is elke keer genieten. Ruby, een jonge Nederlandse, woont samen met Fieke, Thibault en Tigrou in La Vachette (het koetje!) in de buurt van Briançon, in de Franse zuidelijke Alpen. Ruby heeft al heel wat meegemaakt èn ze heeft grote dromen. En ik droom met haar mee. Want dat berggids-diploma zàl ze halen. En het ski-examen ook. En dat boek van haar komt er ook ooit. Want Ruby heeft een heel mooie pen, een ontwapenende stijl en veel te vertellen. Ga zelf maar eens kijken, er is voor elk wat wils. 

Over skieën

Over Tigrou

Leuke verzonnen verhaaltjes

Bijzondere kunst

En meer…