Archives for category: Mensen

Hij loopt met korte pasjes door de gang, een boekentas in de hand of onder zijn arm geklemd. Zijn korte lichaam is recht, alleen zijn schouders zijn gebogen. Zijn haar is donkergrijs, en plat tegen zijn hoofd gekamd.

‘Hij kwam naar me toe,’ zei mijn moeder.
‘Vous êtes encore plus belle, comme ça,’ had hij gezegd, nadat ze een goedaardig gezwelletje van haar neus had laten verwijderen.

Ik was er niet bij, ik stelde het me voor. Mijn moeder en mijnheer Joly tegen over elkaar in de gang, haar looprekje tussen hen in. Mijn moeder wat schaapachtig knikkend en dan makend dat ze wegkwam. Mijnheer Joly die haar teder nakijkt.

Ze vertelde het lichtjes geamuseerd en misschien ook wel geflatteerd. Ik probeerde haar lachje te lezen, maar ik kreeg er geen hoogte van.

***

Mijnheer Joly is de weg kwijt. In zijn kamer wordt de vloerbedekking vernieuwd en hij kan maar niet wennen aan zijn tijdelijk verblijf in een andere kamer. Hij dwaalt door de gang zonder boekentas. Af en toe kijkt hij schichtig de kamer van mijn moeder in.

Ik ga naar hem toe.
‘Comment va-t-elle ?’ vraagt hij.
‘Elle est très fatiguée,’ zeg ik.
‘Mais, ça va s’arranger, non ?’ Hij kijkt me recht aan.
Ik schud langzaam mijn hoofd.
‘C’est la fin!’ roept hij uit.
Hij pakt even mijn hand vast, draait zich om en loopt de verkeerde richting uit, naar zijn tijdelijk onbewoonbare kamer. Zijn schouders schokken.

Een paar dagen later ga ik het hem zeggen.
Zijn neus wordt rood, hij haalt een witte zakdoek uit zijn broekzak, dept zijn ogen, poetst zijn bril.
‘Elle était adorable ! J’aimais tellement votre maman…’
Hij draait zich om en gaat zijn kamer in. Die is inmiddels klaar, ik ben blij dat hij weer in zijn vertrouwde omgeving kan zijn.

Ze zouden een mooi paar geweest zijn, mijn moeder en mijnheer Joly.

 

 

(Dit verhaal staat ook op mijn Proza- & Poëzie-blog.)

Sapphir is nu op het dierenkerkhof achteraan in de tuin van de familie C. Vader René (81) had een mooie put gegraven. Ze ligt naast Félicie, de kat van Marie en Josette.

Vanmiddag ben ik nog even gaan kijken. Vader René was net met de kippen op wandel. Hij drukte mij op het hart dat ik altijd op bezoek mag komen. Ook als ze niet thuis zijn.

 

 

In de afgelopen zes jaar is me al honderden keren gevraagd waar ik vandaan kom.

‘D’où vient ce petit accent?’ vragen ze dan.  En soms ergert me dat en zou ik willen dat ik accentloos Frans praatte, als dat tenminste bestaat. Want accenten hoor je overal, ook op Radio France Inter, waar de Belgische Charline Vanhoenacker een vedette is, waar je regelmatig Canadezen Frans hoort praten en waar luisteraars uit alle windstreken aan het woord mogen komen.

Gisteravond hoorde ik op de Belgische radio 1 een interview met Thomas Dutronc. Hij praatte heel mooi Frans. Maar de journalist die hem interviewde, praatte met een Vlaams accent. Zijn Frans klonk zoals ik denk dat het mijne klinkt.  Dat deed me denken aan de Russische vrouw die ik eerder die dag ontmoette.

Ze zat aan de balie van het Musée Hyacinthe Rigaud in Perpignan. Ze tikte mijn naam en adres in, nam een foto van mij en gaf me mijn jaarkaart. Ze praatte uitstekend Frans met een rollende tong-r. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vroeg waar ze vandaan kwam.

‘Uit Rusland,’ zei ze, ‘maar ik woon hier al heel lang.’

‘Mijn accent ben ik nooit kwijtgeraakt,’ voegde ze er glimlachend aan toe.

‘Ik ook niet,’ zei ik.

‘Waar komt u vandaan?’

‘Uit België.’

‘Ik vind mijn accent niet erg,’ zei ze, alsof ze mijn gedachten en mijn gène raadde, ‘dat maakt mij anders en het is goed dat er verschillen -des différences- zijn.’

Ik werd op slag een beetje verliefd, op haar accent. En voortaan zal ik me niet meer ergeren als iemand iets over mijn ‘petit accent’ zegt, maar dat juist beschouwen als een blijk van interesse en een uitnodiging tot een gesprek.

 

 

Intussen woon ik hier al zes jaar. Een groot deel van mijn tijd breng ik in relatieve stilte door. Relatief want er is altijd wel iets te horen: het tikken van de muurklok, het tokkelen op mijn toetsenbord, vogels in de cipres, de bosmaaier van de buurman, het dichtslaan van de autodeur van de postvrouw. Ik voer dagelijks minstens één telefoongesprek, soms twee of drie. Een paar keer per week heb ik een gesprek met iemand in het dorp. Af en toe praat ik tegen de katten (vermanend) of tegen de prei (aanmoedigend) en de courgettes (temperend). Een keer per week ga ik mijn moeder bezoeken en boodschappen doen. Er blijft dus veel tijd over waarin niet gepraat wordt. En dat vind ik prima. Eerlijk gezegd, zelfs zalig. Ik hou van de stilte, ik koester ze en bescherm ze.

Eigenaardig genoeg lijk ik nu juist mensen aan te trekken die wel graag praten. Waarschijnlijk omdat ik zelf minder spraakzaam geworden ben. Mensen lijken in mij  een luisteraar te zien. En ja, ik kan goed luisteren, en als het gesprek mij minder zinvol lijkt, kan ik ook goed doen alsof ik luister.

In het voorjaar leerde ik in een kuuroord een man kennen tijdens een wandeling. Ik denk niet dat we langer dan tien minuten met elkaar gesproken hebben. Maar het gesprek ging over dorpskerkjes en het eindigde met het geven van mijn telefoonnummer. J.P. wou heel graag het kerkje van Glorianes (waarvan ik de sleutel bewaar) bezoeken. Bij het eerste telefoontje kreeg ik spijt dat ik mijn nummer gegeven had. In de daaropvolgende weken belde J.P. mij met een zekere regelmaat. Deze gesprekken duurden gemiddeld een half uur en waren vooral monologen. Het waren gedetailleerde verslagen van bezoeken aan theater- en muziekvoorstellingen, aangevuld met uitgebreide historische, geografische en zelfs klimatologische achtergrond. Ik kon het niet over mijn hart krijgen om de telefoon niet op te nemen of om hem af te wimpelen en na een tijdje begon mijn ergernis plaats te maken voor verwondering. Zijn grote behoefte om te praten en te vertellen intrigeerde mij. En mijn nieuwsgierigheid nam nog toe nadat hij een paar keer tijdens het vertellen in tranen was uitgebarsten. Het was ook duidelijk dat hij geen rare bedoelingen had, dat hij niet op zoek was naar een lief. Hij had -en heeft- alleen soms heel hard een luisteraar nodig. Intussen heb ik besloten dat ik die luisteraar wil zijn. Soms zijn zijn verhalen best interessant en het is een goede manier om mijn Frans te verbeteren.

Sinds een paar weken komt Roger weer naar het dorp. Nog zo’n praatvaar. Roger woont in het stadje in het dal en hij is altijd onderweg met zijn fiets. Hij fietst alle bergen in de omtrek op, en ik zie hem af en toe in verder gelegen dorpen of steden en zelfs een keertje in Perpignan. Maar altijd in fietstenue, ik heb hem nog nooit in gewone kleren gezien. Als hij mij ziet, wil hij vertellen, en sinds hij weet in welk huis ik woon, komt hij aan het poortje en roept mijn naam. Net als J.P. kan ik hem niet weerstaan en dus ga ik gewillig naar hem luisteren. Want ik weet dat Roger veel verhalen heeft. Net als J.P. is hij een soort podcast.  Als hij uitgepraat is, rijdt hij terug, de berg af naar Vinça. En dan is hier de stilte weer.

 

177781