Toen ik vanavond thuiskwam, mijn auto vol spullen uit een veel te grote winkel in het veel te verre Montpellier, kwam er een man naar mij toe gelopen. Ik wist meteen dat het geen Glorianenc was. Ik ken ze intussen allemaal. Hij zag er niet gevaarlijk uit, dus glimlachte ik hem vriendelijk toe. Ik stond wel open voor een gesprek want behalve met de kassierster van het warenhuis, had ik de hele dag nog geen woord gewisseld. Hij kwam foto’s nemen van de kerk. Ze lag er mooi bij, zo in de avondzon. Prachtig, zei hij, dit is echt-echt Romaans. En het is hier zo mooi. Ik zwol een beetje en liet de gevel van mijn huis zien, met de broodoven en de publieke achtertuin, die er in de oranje zon bijzonder romantisch uitzag.

Hij vroeg hoe lang ik hier al woonde. Tien maanden, zei ik. En of ik dit huis gekocht had. Ik knikte. Daar moet je wel gek voor zijn, antwoordde hij. Ik zag meteen af van het idee om hem een glas water aan te bieden.

Ik laadde mijn boodschappen uit en liet hem de kerk fotograferen. Wat later kwam hij mij zijn kaartje brengen. Het bleek een schrijver en een doctor in de wetenschappen te zijn, die zich toelegt op de “etnologie van de technieken”. Vandaar dat hij vooral het ijzerwerk aan de kerk kwam fotograferen.

Hij vroeg wat ik deed. Eindredactie, zei ik en ook een beetje schrijven, om maar iets te noemen. Hij wees naar het e-mailadres op het kaartje. Stuur me eens een verhaal, zei hij.

Tja, ik denk niet dat hij Nederlands leest.

DSCN2130