Rustplaats

In het kleine kerkje van Montauriol vlogen twee vogeltjes rond. Ze gaven ons iets om naar te wijzen en over te praten terwijl we op de priester wachtten.

De Afrikaanse priester kwam twintig minuten te laat, hij verontschuldigde zich uitgebreid. Zijn Aziatische assistente las de teksten voor. Een omgekeerde wereld, want gingen onze priesters niet vroeger de mis lezen in Afrika en Azië?

Tijdens de stiltes praatte mijn moeder hardop. Nooit gedacht dat er zoveel mensen zouden komen, zei ze. Alle achtentwintig stoelen waren bezet. En dan stonden er nog heel wat mensen buiten.

Na de dienst vertelde Patrick, mijn schoonbroer en burgemeester van het dorpje, het leven van mijn vader. Ik had het zelf niet beter kunnen doen. Daarna werd mijn vader in zijn appartementje geschoven. Hij rust nu in vrede recht tegenover zijn vriend Xavier, net als hij Belg, garagist en vogelliefhebber.

Ze hebben een mooi uitzicht.

DSCN3310

A

Of ik daar nu graag woon, vragen mijn verre familieleden als ik hen opbel met het nieuws dat nonkel Mil gestorven is.

Ik moet er over nadenken. Het antwoord is niet volmondig ja. Het is aanpassen, zeg ik voorzichtig. In gedachten maak ik een plus-en-minlijstje. Er zijn meer plussen dan minnen, dat wel. Het grootste minpunt is dat ik te veel tijd in mijn auto doorbreng. Maar dat heeft met de gebeurtenissen van de laatste weken en met administratieve complicaties te maken. Er komt wel weer een tijd dat ik niet meer zo dikwijls op pad moet, troost ik mezelf.

De dikste plus is de natuur. Bij elke stap die ik buiten zet, weer of geen weer, denk ik: dit wil ik niet meer missen.

Al mis ik A ook wel. Dat staat in het min-rijtje. Ik mis A. Maar ach, volgende week neem ik de trein en ’s avonds ben ik weer in A en bij A. Voor een weekje.

Wennen

We zeggen het wel honderd keer tegen elkaar: het was het beste voor hem. En toch schiet mijn gemoed nog regelmatig vol.

Ik luister naar wat anderen zeggen: hij heeft een lang en mooi leven gehad. Een lang leven, zeker, en vele mooie momenten. En ook andere. Een mens, eigenlijk.

Ik vraag me soms af hoeveel mensen er op datzelfde moment gestorven zijn, velen eenzaam, in pijn, in nood, in gevecht. Mijn vader heeft het al bij al goed gehad.

Hij nam veel plaats in en het is nu wennen aan een lege hoek. Wat ga ik met die vrijgekomen ruimte doen? Voorlopig niets, mijn gedachten laten dwalen, in ver en dichterbij verleden. En in de rituelen die we de komende dagen zullen uitvoeren om hem te eren.

Want al was hij niet de gedroomde vader, met veel en soms vreemde omwegen heb ik toch van hem geleerd. En daarom eer ik hem ook.

Vogel

Mijn vader hield van vogels. Hij praatte met zijn vogels op een lieve toon die je enkel in de manshoge volières kon horen. Hij riep de beestjes met koosnaampjes en maakte daarbij de meest eigenaardige geluiden. Hij deelde zijn hobby niet met ons, toch niet met mij. Misschien gaf ik te weinig blijk van interesse of misschien dacht hij dat meisjes niet om vogels gaven. En achteraf gezien, was ik waarschijnlijk wat jaloers op die liefhebberij. Daardoor weet ik eigenlijk niets van vogels. Van het roodborstje dat hier soms op het weggetje rondspringt, weet ik dat het een roodborstje is. En de oehoe van een uil herken ik ook. Een vogel die met grote gespreide vleugels over de bergkam scheert, is een roofvogel. Daar houdt mijn kennis ongeveer op.

Op de daken van het ziekenhuis huppelen zwart-witte vogels met lange staarten. Hij zou meteen weten wat voor vogels het zijn, maar hij kan niet door het raam kijken.

Zijn gezicht is ingevallen, zijn neus is scherp. Als ik hem met een koffielepeltje stukjes in-koffie-geweekte cake voer, denk ik aan de kuikentjes die hij met een pipetje voerde, hun bekjes wijd open. Liefdevol en zorgzaam, zo deed hij dat.

Denappels

Vanmorgen sneeuwde het dikke natte vlokken, op de bergkam ligt een witte kraag. De kachel blijft branden. Ik heb nog veel hout, maar dat ligt al klaar voor de volgende winter. Voor nu is het niet droog genoeg. Dan maar sprokkelen.

Aan de noordkant van de berg is een klein dennenbos. Het hout dat er ligt, is droog en de denappels zijn groot. Ik heb al zakkenvol naar huis gesleept, ze zijn handig om het vuur aan te steken. Daarbij zoek ik zorgvuldig de oudere, houterige exemplaren uit, de bruine glanzende denappels laat ik liggen.

Op de binnenkoer heb ik een bak staan, waarin ze verder in de zon kunnen drogen. Maar tot mijn verbazing zijn ze door de natte sneeuw dichtgegaan en zien ze er weer uit als pas afgevallen denappels. Die dingen leven dus nog. Een gevoelige ziel als ik zou dit beter niet weten.

DSCN3287

Zaag

De lange koude winter, de haperende lente en de gebeurtenissen van de afgelopen weken eisen hun tol. Ik ben moe, en vermoeidheid durft wel eens om te slaan in somberheid. Het is een familietrekje en ik ontsnap er niet aan. Vanmorgen was ik nog somberder dan somber, ik had het gevoel dat ik op de bodem van een put zat en ik zag nergens een laddertje naar boven. Ik had veel zin om te zeuren en te zagen maar behalve Sapphir was er niemand in de buurt waartegen ik mijn beklag kon doen. Ik begon dan maar op te ruimen, want bezig zijn en me concentreren op werk, helpt soms.

Rond de middag ging ik kijken wat ik buiten kon doen want het was mooi weer. Op het terras rook ik de ceder al. Als de zon schijnt komt zijn geur blijkbaar vrij en ik verbaas me elke keer weer over het effect van die geur op mijn gemoedstoestand. Ik voelde me plots een pak beter. Ik kreeg weer zin in zagen, maar dan in echt hout zagen.

Nu ben ik nooit een handige Henrietta geweest, maar zagen kan ik. En dat dankzij de Slovaakse timmerman, die me een eenvoudige maar zeer handige techniek leerde. Ik had al eerder geprobeerd om stokken door te zagen met de boogzaag van mijn vader, maar ik gaf het snel op. De tandjes werkten tegen, ik kreeg geen mooi zaagritme, alles bleef steken. Nu blokkeer ik de boog met mijn voet en wrijf ik het hout over de draad. Dat kan staand of zittend, het gaat allebei goed en het gaat zelfs snel. Ik zat lekker in het zonnetje te zagen en mijn humeur verbeterde met elke stok die ik in stukken kreeg. Ik waagde me zelfs aan een paar eiken stronken, die net een paar centimeter te lang waren voor mijn kachel. Vuur maken is nu nog plezieriger dan daarvoor. Morgen ga ik weer wat langere stukken halen in het bos.

DSCN3258 DSCN3254

Apéritif

De eerste avond dat ik thuis kon blijven, wat in de zon kon zitten en -oef- weer in mijn eigen bed kon slapen, had ik al meteen een verplichting aan mijn been. Ik was uitgenodigd op een petit apéritif bij de burgemeester ter gelegenheid van het afscheid van een paar Belgische vrienden van hem, die al jaren in Glorianes op vakantie komen.

Hoewel ik erg moe was, besloot ik toch maar even langs te gaan.

Het petit apéritif leek eerder uitgebreid, want iedereen had wat mee gebracht. Behalve een fles Muscat (regionale zoete wijn) stond er vreemd genoeg geen wijn op tafel. Er werd bier gedronken, een troebel wit bier dat in een naburig dorp gebrouwen wordt. Het was licht en heel lekker.

We zaten aan een lange tafel in de tuin van mas Picote, er werd geknabbeld en gebabbeld en gewacht tot iedereen er was. Als laatsten arriveerden het echtpaar dat koeien en schapen houdt op de berg. Ze hebben het druk want het is lammertijd. Toen pas merkte ik dat de burgemeester de barbecue had aangestoken en vlees stond te braden.

En dan kwam er wijn op tafel, en grote schalen met lamskoteletjes en worstjes. De zon ging onder en de sfeer werd alsmaar gezelliger. Iedereen werd een beetje teut en de koeienboer die eerder had laten verstaan dat het plukken van champignons een privéaangelegenheid is, begon me ongevraagd tips te geven. “Tu vas trouver des morilles”, voorspelde hij. Het klonk alsof hij er persoonlijk een paar voor mij had verstopt. “Ga onder de kerselaars en de essen kijken. Je zult er wel vinden.” Het zal wel aan de wijn gelegen hebben dat hij plots zo gul was, maar het deed mij wel wat.

Bijna het hele dorp was aanwezig. Een bont gezelschap toch: de burgemeester en zijn vrouw die niet eens in het dorp wonen (maar er wel een buitenverblijf hebben), de koeienboer, zijn schapenboerin en hun kinderen, de onderwijzeres en haar Slovaakse timmerman, mijn buurman met zijn Amerikaanse vrouw, mijnheer en mevrouw C die alles weten over paddestoelen en groenten kweken, het jonge paar dat ook pas vorige zomer aankwam en nu een kind verwacht (le bébé de Glorianes!), en de leerling berggids die altijd alleen op stap is. En daar hoorde ik ook bij. Dat ik wat stil was, vond niemand erg.

Na het vlees en de wijn, kwam er nog warme chocoladetaart en port op tafel. Ik weet nu wat een petit apéritif betekent. En ik ben al aan het bedenken wat ik zal maken en meenemen naar de volgende.

***

Vandaag heb ik een dagje vrij genomen. Ik heb een lange wandeling gemaakt, maar (nog) geen morieljes gevonden. Ik heb de was gedaan, hout gezaagd en nog wat zaadjes geplant. Van mijn zussen hoorde ik dat mijn vader in het ziekenhuis de hele namiddag Duits heeft gesproken.

Poppenspeler

Mijn vader heeft de trein naar het hiernamaals gemist.

De dokters brengen ons het nieuws en begrijpen dat we niet van onze stoel springen van blijdschap. Het vooruitzicht: nog een aantal dagen ziekenhuis, daarna misschien weer naar het rusthuis, waar hij nog meer afhankelijk zal zijn als daarvoor.

Hij is beter, maar verward en boos. Wat heb ik misdaan? herhaalt hij eindeloos. Waarom houden ze mij hier gevangen? Maak mij los … Hij begrijpt niet dat het zijn eigen lichaam is dat hem gevangen houdt. Hij wil weg, weg … maar alleen zijn rechteronderarm kan nog aanstalten maken om te vertrekken.

Is dit een grap of om te huilen? Ik voel me zo voor schut gezet. Alsof de grote poppenspeler hierboven het nodig vond om ons eens goed te doen schrikken, ons te overladen met een week driedubbele stress, de spanning te mixen met Grote Emoties en mij de laatste twee nachten volledig uit mijn slaap te houden.

Ik zou ook kunnen vragen: wat heb ik misdaan? Maar ik geloof niet in de grote poppenspeler. Wel in de grillen van de natuur.

Het enige wat ik bereid ben om nog eens onder ogen te zien, is dat ik geen greep heb, op niets. Het enige wat mij nu troost, is de warme en poederige geur van de ceder naast mijn huis.