Versleten regenjassen aan een staande kapstok. Een potje met muntstukjes en haarspelden. Een rieten mand voor oud papier en eentje voor de flessen. De kleverige frietketel en het kapotte wafelijzer. Geen bord of kopje waar geen barst in is. Honderd verschillende glazen. Wasspelden in de zakken van een schortje. Vijftig verschillende tafellakens. Het gebloemde eetservies van Mamà. Waarvan nog twee en een gebarsten kopje van de vierentwintig. Twaalf dozen met kaartjes en brieven, en een stapel fotoalbums. Kasten vol boeken en laden vol videocassettes. De snek-kandelaar uit Noorwegen, van Nonkel Marcel. Doeken, overtrekken, spreien, dekens en tapijten. Honderd paar flanellen lakens. De voorgangers van strijkijzers, broodroosters en koptelefoons. En de lege dozen van de laatste nieuwe. Muffe zakdoeken en kousen met gaten. Badmatten die naar kattenpis ruiken en handdoeken met bleekwatervlekken. Honderdduizend cadeautjes, door iedereen meegebracht, van lange en korte reizen. Lijstjes met foto’s van mensen en vogels.

En in de tuin: verroest gereedschap, transistors en claxons (om de vogels uit de kerselaars te jagen) en een berg gerecycleerde afval.

Wie wat bewaart, heeft wat, zei Ton. Mijn vader dacht dat waarschijnlijk ook. En op zolder was veel plaats.

We hebben slikkend weggegooid en weggegeven.

En zelf nog een klein beetje bewaard.