Buurman

Buurman

Mijn moestuin ligt ongeveer in het midden van het dorp, recht tegenover het kerkhof en naast de pétanquebaan en toen ik gisteren wat munt ging halen voor de taboulé die ik aan het maken was, hoorde ik opeens mijn naam roepen. Dat alleen al was een uitzonderlijke gebeurtenis in ons stille dorp. En toen ik omkeek, zag ik tot mijn verbazing mijn teruggekeerde buurman op me afkomen. 

Hij zei heel vriendelijk goeiedag en vroeg hoe het was. 

‘Ça va bien, merci,’ zei ik, ‘et toi, comment vas-tu ?’ vroeg ik wat verbouwereerd. 

Met hem ging het ook goed en hij vroeg hoe het met de tuin ging. 

‘Minder goed, dit jaar,’ zei ik, wijzend naar de takjes pepermunt in mijn hand, zowat het enige wat er deze dagen te oogsten valt. 

‘Hoe komt het?’ vroeg hij. En voor ik het goed en wel besefte waren we in een gesprek verwikkeld over de koude lente, de kwakkelende zomer, de nood aan licht voor zaailingen, en het belang van goede potgrond. Alsof hij nooit was weggeweest en alsof we ooit tuinmaten waren geweest. 

Na een minuut of tien rondde ik het gesprek af met de mededeling dat ik het middageten ging klaarmaken. Hij wenste mij smakelijk eten maar wilde toch nog weten of ik nog last had gehad van het geluidsysteem dat muizen moet weghouden in zijn huis. 

‘Nee,’ zei ik, ‘het is me niet meer opgevallen.’ Nadat hij de eerste keer vertrokken was, stond de zoemtoon vrij hard en toen ik hem het jaar daarop terugzag, had ik gevraagd om het zachter te zetten. 

‘Weet je,’ zei hij, ‘ik heb dat echt geïnstalleerd om de muizen weg te houden, niet om jou te ambeteren.’

‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘dat weet ik wel.’

Terug thuis had ik spijt dat ik het gesprek zo snel beëindigd had. Alle vragen die ik had, waren onbeantwoord gebleven: waar hij nu woont, wat hij daar doet, of hij daar gelukkig is en of hij ons dorp niet mist. Ik kan er maar een klein beetje naar raden: het leek me overduidelijk dat hij blij is om hier terug te zijn. 

Het is nu afwachten naar een volgende gelegenheid. Als die er nog komt. 

Buren

Ons dorp is zo klein dat we allemaal buren van elkaar zijn. Alleen de boerderij ligt op een kilometer van het dorpsplein. En op de weg naar het dal staat na drie kilometer ook een bewoond huis dat nog bij het dorp hoort. 

Het huis dat aan het mijne grenst is al een tijd niet meer het hele jaar door bewoond. De eigenaars verhuisden vier jaar geleden naar de V.S.

Het waren, eerlijk gezegd, geen hartelijke buren. Ik deed erg mijn best om een goede buurvrouw te zijn, nodigde hen een paar keer uit en ging er ook wel eens op de koffie. Maar de gesprekken verliepen stroef en verder dan het krappe keukentje dat op het gemeenteplein uitgeeft, kwam ik niet. 

Op een dag was ik aan de overkant van het plein onkruid aan het wieden op de trappen van de gîte communale. Ik zag mijn buren hun huis uitkomen en allerlei dingen verplaatsen in de tuin. Ik zwaaide, maar ze zwaaiden niet terug. 

De volgende dag waren hun luiken dicht en was de auto, die altijd op het gemeenteplein geparkeerd stond, weg. De luiken bleven gesloten, de auto kwam niet terug.

Pas na een maand kwam ik erachter dat ze voorgoed vertrokken waren. De factrice zei me dat hun post doorgestuurd werd naar het adres van de ouders van de buurman. Een dorpsgenote deed wat speurwerk en ontdekte via facebook dat ze in Chicago woonden, waar de buurvrouw oorspronkelijk vandaan kwam. Dat ze niet eens afscheid hadden genomen hadden deed toch een beetje pijn. 

Nu is de buurman terug. Ik hoor hem stofzuigen, dat zal wel nodig zijn na twee jaar afwezigheid. Ik hoor hem maaien in zijn verwilderde tuin. Ik hoor geen stemmen. Blijkbaar is hij alleen. Misschien komen vrouw en kind later. Zoals in de zomer van 2019. Toen bracht ik hen een bakje aardappelen en groenten uit mijn moestuin. 

Dit jaar heb ik nog geen toonbare groenten. En misschien maar beter zo. 

Intussen in Frankrijk… 29

… lijken de Fransen er nog vrij gerust in. Ze blijven ‘se faire la bise’ alsof er niets aan de hand is. Mij niet gezien.

… kreeg ik bezoek uit België en werd mijn huis aan de buitenkant door hen helemaal opgefrist.

… en ging ik na weken zona/sofa, met de hulp van Els en Lydia, terug aan de slag in de moestuin.

… durf ik niet meer te gaan zwemmen in het meer van Vinça, te veel zonners, te veel zwemmers.

… werkte ik met illustratrice Gerd in onze gemeentelijke gîte aan een prentenboek.

… ging ik naar een c-proof miniconcert in de ‘grange’ van onze burgemeester.

… ga ik nu elke zaterdag gemaskerd naar de markt in Prades.

… maar blijf ik verder zoveel mogelijk op de berg.

… werd mijn moestuin uitgeroepen tot ‘le plus beau jardin, un vrai jardin de curé!’ door onze lieftallige factrice, die dagelijks heel wat tuinen ziet.

… hebben we sinds twee weken een officiële petanquebaan.

… hoop ik dat de dertigste ‘intussen’ de laatste mag zijn.

20200801_181034

 

20200729_194753

20200729_195007

 

 

 

 

Mieren en munt

Een jaar geleden ontdekte ik in het voedselbos een enorme mierenhoop. Het was op een plekje waar ik een tomaat had willen planten, maar zodra ik maar in de buurt kwam met een plantschopje liepen de mieren over mijn handen. Ik overwoog om de kolonie te verdrinken, maar ik ging eerst even raad vragen aan mevrouw Google. Zij stelde voor om op die plek munt te planten. Toevallig had ik een paar stekjes van een heel krachtige muntsoort in een glas water staan en ik besloot de proef op de som te nemen. Het resultaat mag er zijn: de mieren zijn verhuisd en ik heb nu een prachtig perkje met donkergroene, sterk geurende munt (Mentha spicata var. crispa ‘Moroccan’).

Een klein miertje op het aanrecht, hoe schattig, dacht ik een paar dagen geleden. Maar algauw waren ze met zeven, even later met dertig en de volgende dag leek de rand van het aanrecht op een autosnelweg richting kust. Via mevrouw Google vernam ik dat de kunst erin bestaat om de plek te vinden waar de mieren naar binnen komen en dan aan de buitenkant van het huis met wat suiker een wegomlegging te forceren. Ik was bereid om dat te doen, maar waar en hoe de mieren naar binnen kwamen, leek me een raadsel.

Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik er toen de stofzuiger bij heb gehaald. Ik heb ze een voor een pijnloos opgezogen. De eerste keer is zoiets hard, maar na een tijdje ging het beter. Geloof me, moorden went. Ik ging met de stofzuiger over het aanrecht en vandaar in alle hoeken en kanten van mijn keukentje, maar de mieren bleven komen. Opeens zag ik een rijtje mieren naar boven marcheren. En terug. Het was een komen en gaan vanuit het dak. De moed zonk me in de schoenen, want ik zag me niet het dak opgaan om daar een zoete wegomlegging te plaatsen.

En toen dacht ik aan de munt. Ik ging naar de tuin en plukte een bosje munt. Ik maakte een tuiltje en plaatste het in een vaas, in de hoek waar het verkeer het drukste was. Ik merkte wat aarzeling bij de nieuwkomers, maar niet zo dat ze rechtsomkeert maakten. Ik besloot om de grote middelen in te zetten. Ik ging terug naar de tuin, plukte een flinke bos munt, haalde de blaadjes van de stelen en legde ze op schalen te drogen. Het hele huis rook fris en na een uur waren de mieren verdwenen. Geweldloze communicatie werkt.

20200610_125250

Intussen in Frankrijk -21

Sinds zaterdagnacht regent het hier aan een stuk door. Het is een zachte regen maar omdat het geen minuut ophoudt, begint de grond toch verzadigd te geraken.

Overal stromen kleine beekjes, en de rivieren ruisen weer de berg af. ’s Nachts vind ik het eigenlijk wel fijn om ernaar te luisteren. Dan kan ik weer blij zijn met mijn warme bed en het dak boven mijn hoofd dat (nog) niet lekt.

Overdag begint het nu toch wel op een echte lock down te lijken. Ik heb al een paar dagen geen levende ziel meer gehoord of gezien. Ik wacht nog steeds op twee pakjes: één met chocolade voor mij, en één met pralines voor de buren. Het eerste pakje moet met de post komen en dan zou ik onze sympathieke factrice misschien eens een paar tellen kunnen aanschouwen. Het tweede pakje komt met een pakjesdienst en de kans dat die tot hier komt, lijkt met de dag kleiner te worden.

Verder gebeurt hier eigenlijk niets. Ik ga nog steeds twee keer per dag wandelen, met lange regenjas en laarzen, en één keer per dag ga ik met een paraplu kruiden plukken in de moestuin.

Gisteravond keek ik naar de eerste aflevering van Where The Wild Men Are over de 80-jarige Judith die heel afgelegen op een Iers eiland leeft, zonder water, zonder elektriciteit. Het was alsof ik mezelf in de toekomst zag. Over een jaar of twintig.

Intussen in Frankrijk -15

 

20200408_094735

Vandaag heb ik verdriet. Ja, verdriet, laat ik het maar met de naam noemen.

Nadat ik vanmorgen Cacahuète’s ontbijt had gegeven, bleef ik nog wat op het terras staan. Ik keek naar de dikke witte mist die zich als een deken over het dorp had gelegd en opeens rolden de tranen over mijn wangen.

Zo gaat dat met verdriet: het hangt al een paar dagen rond, weet zelf niet goed waar het vandaan komt en waar het naartoe wil, en plots vindt het een hendel, en hup, de sluizen gaan open.

De hendel is een datum. Begin april is voor mij een periode waarin herinneringen elkaar verdringen, waarin het water hoog staat.

Nadat ik de eerste golf met een grote zakdoek had opgevangen, zette ik een kop koffie en bekeek ik de e-mails en de WhatsApp berichten.

  • Mijn plaatselijke ‘bestie’ stelt voor om vandaag met elkaar te skypen.
  • Er is een lange e-mail van een vriendin waarvan ik aan de toon kan zien dat het vrij goed met haar gaat. Dat doet me plezier. Ze stuurt me bovendien een link naar een -voor mij- bijzonder troostend artikel.
  • Jérémy stuurt me een berichtje met de vraag of hij de naar het Frans vertaalde hoofdstukken van Colombe mag lezen.
  • Céline laat weten dat ze naar Prades gaat en vraagt of ze iets voor me mee kan brengen.
  • Een vriendin in A stuurt me een mooie schaduwfoto van zichzelf. Ik kijk ontroerd naar haar contouren.

Al die mensen hebben geen weet van de ‘hendel’, en weten dus niet hoe troostend hun berichten zijn.

Ik blijf maar huilen. Soms regent het toch ook een hele dag?

Tegelijk probeer ik mijn verdriet aan te kijken. Wie ben je en waar kom je vandaan?

Ik heb immers geen reden tot klagen. Ik leef in de best mogelijke omstandigheden, ik kan naar buiten wanneer ik wil. Eten en drinken wordt me gebracht.

Maar gisteren moest ik iets uit de auto halen en toen ik op de parking stond, kreeg ik een aanvechting om in te stappen, de sleutel in het contact te steken en weg te rijden. Gewoon ergens heen.

Toch is het niet die -hopelijk tijdelijke- vrijheidsbeperking die me verdrietig maakt.

Wat me doet huilen is wanhoop en machteloosheid. Ik maak me zorgen over de wereld. En dan heb ik nog niet eens kinderen. Hoe moeilijk moet het niet zijn, als je ook nog kinderen en kleinkinderen hebt? Want waar gaat dit naartoe?

Ik schaam me over de mensheid, over al dat knoeien, de gebrekkige, soms oneerlijke communicatie, de keer op keer verkeerde en vèrdragende beslissingen van mensen die het denken te weten.

Ik maak me zorgen over de mensen -en alle levende wezens- die het allemaal maar ondergaan, die nu al lijden, en over de toenemende armoede, die mensen tot wanhoop zal drijven. En over de machteloosheid die ik daarbij voel en zal blijven voelen.

Dat maakt me verdrietig.

Maar mijn tranen helpen niemand. Alleen mezelf. Ze luchten op en daarom mogen ze vandaag stromen.

Straks ga ik naar de moestuin. Ik probeer elke dag wat te zaaien. Vandaag worteltjes en radijsjes. En ik ga nadenken over vaste planten die ik nog kan installeren, zodat het voedselbos wat meer volume krijgt. Want dit is wat ik kan doen voor de aarde: goed voor haar zorgen, dankbaar gebruik maken van wat ze geeft en haar helpen om nieuw groen aan te maken. Voor mij, voor het dorp, en voor wie na mij hier ooit zal wonen.

20200408_121859

 

 

Intussen in Frankrijk -14

 

Net als aan de kust en in de steden is het nu stil in het dorp. Nog stiller dan anders. Er passeren minder auto’s, er komen geen wandelaars of fietsers meer. Het onsympathieke bord bij de ingang van het dorp mist blijkbaar zijn effect niet. Het kan ook zijn dat de auto’s in het dal door de politie er al van weerhouden worden om naar de bergdorpen te rijden.

De jacht is stilgelegd. Op woensdag, zaterdag en zondag horen we geen geweerschoten en geen hondengeblaf meer. Een enkele keer was daar wel eens het hartverscheurend geschreeuw van een gewond everzwijn bij. Ik ben blij dat dit nu even uitblijft.

De dieren zijn ook blij. Ze wagen zich dichter bij het dorp. De wilde zwijnen woelen van puur plezier de aarde nog grondiger om dan anders. Alsof ze willen zeggen: wij zijn hier en we zijn met velen. Van mij mag het, zolang ze maar uit de moestuin blijven.

De haas die ik bijna elke ochtend in het dennenbos bij Vila Seca zie, heeft zijn territorium uitgebreid. Soms zie ik hem al vanop de asfaltbaan.

Een paar dagen geleden zag ik twee jonge Pyrenese gemzen op amper twintig meter vanwaar ik stond. Een beetje vreemd want deze dieren leven normaal gezien op 2000 meter hoogte en ons dorp ligt maar op 800 meter hoogte, de omliggende bergkammen bereiken zo’n 1300 meter hoogte. Alsof de dieren zich afvragen wat er aan de hand is, en een kijkje komen nemen.

 

20200403_121843

20200403_121911

De speeltuinen van de everzwijnen

 

 

 

Intussen in Frankrijk – 11

Op het eerste gezicht is mijn leven de laatste tijd niet dramatisch veranderd. Ik heb mijn reis- en verblijfplannen moeten wijzigen, dat wel. Maar nu ik terug thuis ben, lijkt mijn leven op het leven ervoor. Ik was al een soort kluizenaar en daar had ik zelf voor gekozen.

Voorlopig kan ik niet meer naar de muziekschool. Meestal ging ik op donderdag en bezocht ik tussen twee lessen door mijn vrienden in Prades. Die dag deed ik meestal ook een paar boodschappen. Soms ging ik naar de markt: op dinsdag naar de grote markt of op zaterdag  naar de kleine biomarkt.

Het afgelopen jaar ging ik regelmatig naar een kinesiste in Perpignan. Op de terugweg ging ik wel eens bij een zus langs. En een keer per maand had ik een wandel/picknick-afspraak met vriendin Sue.

Dat is voorlopig allemaal opgeschort en je zou verwachten dat ik nu zeeën van tijd heb, maar niets is minder waar. De communicatie met vrienden en familie is nu veel intensiever geworden en neemt behoorlijk wat tijd in beslag. Er moet brandhout aangesleept worden en de kachel moet brandend gehouden worden want buiten is het koud en nat. Als het weer even wat zachter is haast ik me naar de moestuin want die heeft plots aan belang gewonnen. Nu de voedselbevoorrading beperkt is, onderzoek ik hoe ik de tuin meer en eerder kan laten renderen.

Ik schrijf vaker blogberichten en ik lees meer blog- en nieuwsberichten en ik luister ook meer naar de radio. Om 19 u kijk ik naar het vrt-journaal, en om wat ik gehoord en gezien heb te vergeten,  kijk ik daarna naar een aflevering van een miniserie.

Partituren blijven in de map en het boek dat ik lees vordert langzaam. Behalve blogberichten en e-mails ligt het creatief schrijven stil.

Ik merk ook kleine, subtielere gedragsveranderingen. Ik ben zorgzamer voor mijn lichaam. Droge handen en voeten worden vaker ingesmeerd. De yogamat wordt weer dagelijks uitgerold. Ochtend- en avondwandelingen worden -weer of geen weer- nooit overgeslagen. Ik drink wat vaker kruidenthee.

Ik denk (nog meer) na over wat ik eet, en alles wat de natuur cadeau geeft, brandnetels, weegbree, kaasjeskruid, paardenbloem, neem ik dankbaar aan. Ik ben zuinig in de keuken, geen druppel wordt gemorst, geen kruimel gaat verloren.

Als ik de trap neem of wat moet klimmen tijdens een wandeling ben ik dubbel voorzichtig. Een voet verstuiken of een arm of een been breken is het laatste wat ik nu wil meemaken.

En tot mijn schaamte moet ik toegeven dat ik onverdraagzaam ben geworden. Ik verdraag niet dat er vreemde auto’s door het dorp rijden of bij het bos geparkeerd staan. Erger nog: ik signaleer dit soort waarnemingen aan de burgemeester.

En omdat ik niet de enige ben, heeft ze nu een bord bij de ingang van het dorp geplaatst: ‘gelieve rechtsomkeert te maken’. Het is een kartonnen bord. Hopelijk is het maar zo lang nodig als het stand houdt.