Treffende gelijkenis

Het kindje van deze jonge dame zag haar mama in het schilderij op de cover van Colombe. Dank aan de oma die deze foto van haar dochter via via naar me doorstuurde. 

Het schilderij heet ‘June’ en werd in 1893 gemaakt door Ellen Day Hale, een Amerikaanse kunstenares die een opleiding kreeg in Parijs. Het hangt in The National Museum of Women in the Arts in Washington.

Het ware verhaal van Colombe

Bij mijn huisje staat een poortje dat het weggetje langs mijn huis met de straat, de rue de l’église, verbindt. Dat poortje doet dienst als deurbel, want bezoekers moeten er zo hard aan rukken om het open te krijgen, dat ik aan het morrelen èn het morren hoor dat er iemand op het erf komt. Maar gisteren, nadat ik even naar de moestuin was geweest, had ik het open laten staan. En, ik had het kunnen weten, het was zondag, er waren wandelaars in het dorp. Ik hoorde stemmen bij de kerk en even later zag ik door het open raam van mijn woonkamer een dame langs mijn huis lopen. 

‘Doe dat niet!’ hoor ik iemand roepen, ‘dat is een woonhuis!’

De dame kijkt een paar tellen naar het achterste gedeelte van mijn huis en keert dan terug naar de straatkant. 

‘Ik denk dat het gerestaureerd wordt,’ zegt ze. 

Ik hoor de stemmen wegsterven en sla verder geen acht op deze zondagse toeristen.

Even later, wanneer ik een paar flessen naar de glasbak breng, zie ik hen picknicken bij de fontein en een uur later hangen ze nog steeds rond in het dorp. Als ik een paar tomaten uit de moestuin wil gaan halen, spreekt de dame mij aan. 

‘Woont u hier?’ vraagt ze. Ik knik. 

‘Het hele jaar door?’

‘Ja.’

‘Al lang?’

‘Deze week, precies acht jaar,’ zeg ik.

‘Mijn vriend heeft hier familie op het kerkhof liggen,’ zegt ze. 

Ze wijst naar de kerkhofmuur en ik zie er het hoofd van een oudere man bovenuit steken. Hij kijkt in onze richting en komt vervolgens naar ons toe. 

‘Mijn vader heeft hier gewoond,’ zegt hij, ‘hij heette Garrigue’. Ik knik opnieuw want toevallig ken ik alle namen op de zerken van ons kleine kerkhof. 

‘Ooit ben ik met mijn vader op zoek gegaan naar zijn geboortehuis, Mas Nou, het ligt aan de andere kant van de berg. Er woonde toen een Belg. Hij wilde ons niet binnenlaten.’ 

‘Jullie hadden maar niet moeten weggaan,’ had de toenmalige eigenaar gezegd.

Het klinkt bitter en ik schaam me een beetje voor die onhoffelijke landgenoot. 

‘En mijn moeder,’ gaat hij verder, ‘heette Trabis.’

Mijn hart maakt een sprongetje.

‘Colombe Trabis?’ vraag ik.

‘Dat was haar grootmoeder.’

‘Oh,’ zeg ik, ‘het graf van Michel en Colombe, dat ken ik goed. Ik heb er een boek over geschreven… Ik bedoel, ik werd geïnspireerd door hun namen en door het leeftijdsverschil,’ stamel ik. 

Dat ik een boek heb geschreven lijkt niet veel indruk te maken, we gaan nog even door over het leeftijdsverschil. 

‘Colombe is heel oud geworden,’ zegt de man. ‘Nochtans heeft ze tyfus gehad. Want haar dochter, mijn grootmoeder is toen teruggekeerd naar Glorianes om voor haar moeder te zorgen. Helaas werd ze zelf besmet en stierf ze eraan. Ze was amper veertig. Terwijl Colombe zesentachtig is geworden. Ze woonde achter de kerk.’

Mijn mond valt open. 

‘Achter de kerk?’

‘Ja, we zijn er even gaan kijken, maar we durfden er niet binnen te gaan.’

‘Maar… dat is waar ik woon,’ zeg ik.

‘Er waren twee huisjes, zij woonde in het laatste.’

‘Dat klopt,’ zeg ik, ‘mijn huis bestaat uit twee piepkleine huisjes. Colombe woonde dus in mijn keuken.’

Helemaal van slag, vraag ik of ze misschien de binnenkant van de kerk willen zien. Dat willen ze graag en ik haal de sleutel. Ze vinden de kerk heel mooi, maar een beetje vuil. 

‘Heb je geen stofzuiger?’ vraagt de man. 

‘Jawel, zeg ik, maar het is er dit jaar nog niet van gekomen om de kerk te poetsen. Dat doen we gewoonlijk een keer per jaar.’

‘Ik wil je wel komen helpen,’ zegt de vrouw. Zij is Spaanse, vertelt ze me. Ze heet Angela, en niet Amparo, zoals ik een ogenblik fantaseerde. 

Ze bedanken mij en nemen afscheid. 

Met knikkende knieën ga ik terug naar mijn huis. Het huis waar Colombe en Michel hebben gewoond. In mijn keuken. Na een tijdje besef ik dat ik die mensen niet eens heb uitgenodigd om naar mijn huis te komen kijken. Ik haast me naar de plaats waar hun auto stond, maar ze zijn al weg. 

In de witte gids vind ik een Angela C. die in Ria-Sirach woont. Ze heeft nog een vast nummer. Ze klinkt blij verrast als ze mijn naam hoort. Ja, ze komen graag nog een keertje terug.  En ze zullen het familieboekje, met alle geboorte- en sterfdata erin, meebrengen.

De gedenkplaat op het graf van Colombe en Michel op het kerkhof van Glorianes

De achterkant van mijn huisje, waar Colombe nog lang na de dood van Michel heeft gewoond.

Cacahuète zoekt oppas

Wat hij zoekt:

Een lieve oppas die hem van 6 tot 26 september (*) gezelschap wil houden in ons huisje, die hem op tijd zijn natje en zijn droogje geeft en die hem ’s ochtends en ’s avonds een insulinespuitje wil geven.

* Een kortere periode kan ook.

Wat hij biedt:

Een gezellig huisje, een enorm wandelgebied, leuke dingen om te doen in de omgeving, en heel veel liefde.

Bij de dierenarts (op de schoot van assistente Blanche)

Samen ziekjes op de sofa (in mei)

Bhopal 1984

In de nacht van twee op drie december 1984, kort na middernacht lekte meer dan veertig ton giftig gas uit een tank in een fabriek van pesticiden in Bhopal.

In de eerste uren en dagen stierven achtduizend mensen een akelige dood. Hun longen vulden zich met lichaamsvocht tot ze stikten.

Een zachte wind voerde het gas dat zwaarder was dan lucht en laag bij de grond hing, naar de dichtbevolkte oude stad. Een half miljoen mensen werden blootgesteld aan het gas.

De woorden die door de straten echoden waren: Run! Run!

Maar velen, mannen, vrouwen, kinderen waren al blind voor ze konden vluchten.

In de daaropvolgende jaren stierven meer dan vijfentwintigduizend mensen aan de rechtstreekse gevolgen van de ramp. Want niet alleen het gas was dodelijk, de site die de dag na de ramp halsoverkop verlaten werd door de directie van Union Carbide, werd niet opgeruimd en de vrijgekomen chemische stoffen vervuilden het drinkwater van dertigduizend mensen.

Vijfendertig jaar later worden nog steeds slachtoffers en kinderen van slachtoffers behandeld in klinieken die louter kunnen bestaan door giften van particulieren en door vrijwilligerswerk.

De overheid kijkt de andere kant op, en nog erger, ze blokkeren het geld dat vrijgemaakt werd voor de slachtoffers. Geld dat intussen devalueerde en te laat komt.

Er lopen al jaren rechtszaken tegen Dow Chemicals en Union Carbide, maar zij hebben nooit hun verantwoordelijkheid opgenomen, ze zijn nooit voor het Indiase gerecht verschenen en ze zeggen dat de zaak verjaard is.

Voor wie meer wil weten: https://www.bhopal.org/what-happened/union-carbides-disaster/

Voor wie de kliniek die ik vandaag bezocht wil steunen: https://www.bhopal.org/donate/

Het geld komt rechtstreeks bij hen terecht. De nood is hoog. Vandaag 19 februari was er nog niet genoeg geld voorhanden om het januariloon van de vaste medewerkers te betalen.

De ingang van het ziekenhuis, waar slachtoffers en kinderen van slachtoffers gratis behandeld worden met Ayurvedische geneesmethodes.
De wachtgangen
De bibliotheek
Het lab waar de medicijnen vervaardigd worden.
De tuin waar medicinale kruiden worden gekweekt en waar zonnepanelen de stroomonderbrekingen opvangen.

Gloria in Glorianes

Na Spanje heeft de storm Gloria ook Glorianes bereikt. We zijn er min of meer onvoorbereid ingerold. We, dat zijn Els en ik, want ze kwam zondag met me mee (na mijn weekje Antwerpen) om hier haar vakantie door te brengen. Het plan was om maandagochtend meteen boodschappen te gaan doen om de lege gasfles in te wisselen voor een volle, de voorraden aan te vullen en wat lekkere extra’s te kopen om haar verjaardag te vieren.

Maar maandag begon het te sneeuwen en stelden we de boodschappen uit tot de volgende dag. Dinsdag lag er een halve meter sneeuw voor de deur en was de weg nog niet geruimd. Het begon heel hard te regenen en de sneeuwlaag veranderde is een sorbetachtige brij. Het regent nog steeds. Hier en daar begint het naar binnen te sijpelen, maar we hebben nog geen ‘piscines’ zoals bij sommige buren.

Vandaag zouden we in het gemeentehuis de jaarlijkse Galette vieren, een soort driekoningenfeest, waar bij ritueel amandeltaart, met een boon erin, en cider genuttigd worden: afgelast.

Bij de buren staat het kippenhok onder water, op de vensterbank moeten de vogels de zonnebloempitten uit het water vissen en Cacahuète doet een soort winterslaap op de sofa, of kruipt eronder als het dondert.

Voor Els is het best vervelend. We kunnen niet gaan wandelen, op het internet (dat er voorlopig gelukkig nog is) raakt ze uitgekeken en haar sudokuboekje is bijna vol.

Zelf hou ik wel van een beetje uitdaging: de voorraad inspecteren, improviseren met wat er nog is en koken op de houtkachel. Vanavond eten we Indiase daal met kleefrijst. En delen we het laatste restje wijn.

20200121_081057

 

img-20200122-wa0000

Nog even wachten eer we de baan nemen…

Dode dieren

Gisteren hoorde ik nog net de laatste tien minuten van Touché met Stephan Vanfleteren. Die tien minuten waren genoeg om me weer eens te inspireren. Dank u, Radio 1. Vanfleteren had het over zijn foto’s van dode dieren.

Het kijken naar de dood, zei hij, doet ons beseffen hoe bijzonder het leven is.

Ik dacht meteen aan de dode vos die ik de vorige dag in het bos vond. Hij zag er zo mager uit. Hij had geen wonden, waarschijnlijk was hij ziek. Ik vroeg me af hoe zijn laatste uren waren geweest. Ik liep verder en keerde op mijn passen terug. Ik maakte twee foto’s. Ik wist niet waarom ik dat deed.

Nu weet ik het wel.

Belle comme…

Het nieuwe jaar is voor mij begonnen met een schijnbaar banaal, maar toch erg lief compliment. Net als vorig jaar was ik op nieuwjaarsdag uitgenodigd bij dorpsgenoten. Voor de gelegenheid trok ik een goudkleurige trui aan, een opzichtig kledingstuk dat ik nooit van mijn leven gekocht zou hebben als ik me niet in een zwak moment had laten overhalen door een getalenteerde verkoopster. Ik kocht de trui in de winter van 2018 en ik durf hem alleen in de kerst- en nieuwjaarsperiode dragen. Het grappige is dat ik er overal complimentjes over krijg. Kassiersters in de supermarkt, de verkoopster in de bakkerij, de postbediende, ze vragen allemaal waar ik die trui vandaan heb en ze zeggen ook nog eens dat hij mij heel goed staat. Ik moet bekennen dat dit me enigszins over mijn gène helpt en dat ik het zelfs leuk vind om op die manier aangesproken te worden.

Omdat de feesttijd naar het einde toe begint te bollen, trok ik de glittertrui gisteren nog eens aan. Ik verwachtte wel iets van commentaar, maar het compliment dat ik kreeg verraste me toch.

‘Mais regarde-là!’ riep buurvrouw Josette uit, ‘elle est belle comme un camion!’

Toen ze mijn verbaasde blik zag, verzekerde ze me dat de uitdrukking ‘belle/beau comme un camion’ echt bestaat.  Josette is op andere momenten ook taalkundige en mijn lerares Frans.

Ik geloofde haar, maar ik ben het toch nog even gaan opzoeken. En jawel, verschillende bronnen vermelden het ontstaan van de uitdrukking in het midden van de twintigste eeuw.

De uitdrukking heeft zich intussen in mijn taalgevoelig hoofd genesteld. Vanmorgen heb ik het eerste brood van het nieuwe jaar gebakken. Het is ‘beau comme un camion.’

En laat ik jullie nu allemaal een prachtig nieuw jaar wensen:

une belle année, belle comme un camion!

img_3052

Foto: Nabat Art Gallery – Folk Truck Art From Pakistan

 

 

En op algemeen verzoek:

 

 

20191225_102940