Espoir

Waar was ik op 11 januari 2015? Niet in Parijs, niet in Perpignan, zelfs niet op het dorpsplein van Glorianes. Ik lag op bed, murw van de tandpijn, suf van de pijnstillers, maar min of meer afgeleid door Radio France Inter.
Radio Inter is een heerlijke zender. Hun slogan is ‘La voix est libre’ en ze nemen inderdaad geen blad voor de mond, niet als het over politiek gaat, ook niet als het over seks gaat. Tijdens het autorijden –dan staat hij altijd aan- krijg ik wel eens rode oortjes.

Zou ik zonder tandpijn wel in Parijs geweest zijn? In Perpignan? Of op het dorpsplein, in mijn eentje met een bordje ‘je suis Ahmed’?
Waarschijnlijk niet. Ik voelde me ruim vertegenwoordigd door die massa mensen. Ik had het gevoel dat er beweging was. Dat er iets zal veranderen. Iets, maar wat? En in welke richting? Gisteren had ik nog het gevoel dat het alle richtingen uit kon. Wat ik vreemd vond, en misschien wel een goed teken, was dat er nauwelijks nieuws gebracht werd uit Beaucaire, waar Marine Le Pen haar eigen manifestatie hield.

Vanmorgen hoorde ik Ronny Van Gastel, Frankrijkkenner, op Radio 1 zeggen dat hij niet gelooft dat Marine Le Pen in 2017 president zal worden. En na gisteren durf ik dat ook hopen.

Om negen uur deze ochtend stond ik al in de pharmacie van Vinça. Maar de medicijnen die de tandarts mij via de telefoon voorgesteld had, kreeg ik niet zonder voorschrift. Tot mijn schaamte barstte ik in tranen uit, maar het hielp niet. Dan maar naar de tandarts gereden. Twintig km heen en twintig km terug. Aan zijn deur hing nog een verzameloproep voor de betoging van gisteren. Ik veronderstel dat ze vanuit Saint Feliù naar Perpignan getrokken zijn. Ik vind mijn tandarts nu nog sympathieker dan vroeger. De apotheker heb ik intussen met enige moeite vergeven. Hij heeft misschien nog nooit tandpijn gehad.
 
DSCN4926

Conseil Communal 2

Beter dan film en theater want levensecht, en nog gratis ook: le conseil communal.

Gisteren zag ik er een beetje tegenop. Er stonden negen punten op de agenda, het zou een lange vergadering worden. Maar het laatste punt over de dorpsverlichting wou ik toch graag volgen.

In de vergaderzaal van het gemeentehuis was het behaaglijk warm. Zoals in alle huizen in Glorianes wordt er met hout gestookt. Rond de tafel zaten de zeven gemeenteraadsleden. Op de tweede rij -want het lokaal is niet zo groot- de drie toeschouwers.

Ik vind het altijd heel bijzonder om zo dicht op de gesprekken te zitten en niet mee te mogen doen. Je wordt dan een soort supertoeschouwer. Je ziet en hoort veel meer dan de mensen die deelnemen aan de discussie. In de loop van de avond zag ik de gemoederen oplaaien, werden er drastische beslissingen genomen (Ik neem hier en nu ontslag!) en werden tegen het einde de plooien weer gladgestreken.

De uitkomst van de discussie over de dorpsverlichting was verrassend. Waar het aanvankelijk ging over het al of niet doven van de lantaarns tussen 01.00 en 05.00 u, kwamen we uit bij de beslissing om alles te doven tussen 20.00 u en 06.00 u, behalve twee lampen bij de gevel van het gemeentehuis. Dat betekent dat we voortaan slechts dorpsverlichting hebben van zes tot acht uur ’s avonds en ’s morgens pas vanaf zes uur. Ik vond het een vreemde wending, maar ik vind het best zo.

De moeilijkste discussie was over het aanlaten van de twee lampen bij het gemeentehuis. Vier stemden voor, drie tegen. Tijdens het discussiëren vielen de dreigingen met ontslag en verloor iemand uit het driekoppige publiek zijn geduld en zelfbeheersing.

Toen de burgemeester op het einde van de vergadering vroeg of de beslissingen om ontslag te nemen gehandhaafd bleven, heb ik even mijn vinger opgestoken. Ik kreeg het woord en ik zei dat ik ook voor dit gemeentebestuur gestemd had, en dat ik niet verwacht had dat er na een half jaar en bij het eerste meningsverschil al ontslagen zouden vallen. En dat meningsverschillen nu eenmaal bij hun rol horen. Ik zal het wel niet perfect uitgedrukt hebben, maar ze begrepen het. De ontslagen werden ingetrokken. Zonder mijn tussenkomst was dat waarschijnlijk ook gebeurd. Maar het was toch spannend om even mijn civiele stem te laten horen.
 
DSCN2121

Incendie

Laat ik het maar meteen bekennen: ik heb brand gesticht. Een paar dagen geleden heb ik mijn asemmer leeggegooid aan de rand van een paadje vlakbij mijn huis. Maar op een plek die ik niet zie vanuit het raam. In de as moeten nog sintels gezeten hebben.

Ik kwam erachter omdat mijn buren gemerkt hadden dat tijdens hun oudejaarsvakantie het waterpeil in een grote zinken teil in hun tuin sterk gedaald was. Zij gingen op onderzoek uit en ontdekten de brandplek. Ze veronderstelden dat iemand de brand had geblust met het water uit hun teil. Mijn buurvrouw toonde mij de plek.

Très gênant. Ik werd helemaal rood van schaamte. Bij de gedachte dat de brand had kunnen uitslaan voelde ik mij duizelig worden. En wie had die brand dan geblust? En wanneer zou hij/zij mij dat komen vertellen? Ik zag me al op het matje geroepen worden bij de burgemeester.

Gelukkig had ik het vandaag erg druk met het bereiden van een Indiase lunch voor mijn buren. Ik had hen al een tijdje geleden uitgenodigd en ik vroeg me af of ze er weer over zouden beginnen.

Natuurlijk wel. Maar al gauw bleek dat ze hun theorie over het blussen hadden herzien. Hoe het water uit die teil verdwenen was, wisten ze nog altijd niet. Maar ze achtten het onwaarschijnlijk dat iemand met een gieter heen en weer had gelopen tussen de teil en de brandplek.
‘Het vuur zal wel vanzelf uitgegaan zijn’, besloot mijn buurman.

Dat was al een zorg minder, maar ik bleef me schamen omdat ik zo onvoorzichtig was geweest.
‘O’, zei mijn buurman, ‘je bent echt niet de enige, hoor. Iedereen in het dorp heeft het al een keertje meegemaakt.’ En met ‘iedereen’ bedoelde hij blijkbaar ook zichzelf.

Hij legde me nog uit hoe je zo’n beginnende brand moet blussen: vanachter aanvallen en best met een spade uitkloppen. Daarna werd het onderwerp afgesloten.

Vandaag brandde de kachel niet. We aten buiten op het terras. De zon gaf van katoen, het was 19° in de schaduw.

DSCN4919

Voor alle duidelijkheid: dit is niet de brand die ik heb aangestoken. Het is gecontroleerd afbranden van de overwoekerde graaslanden op de helling.

DSCN4923

En dit is ‘mijn’ brandplek.

Voor 2015

Wat ik alle mensen wens
Mijzelf inbegrepen

Sterke benen
Een helder hoofd
Een kalm hart

Zuiver water uit de kraan
Alle dagen eten
Warme kleren

Een verend bed
Genoeg dekens
Licht en vuur

Oog voor de wereld
Mildheid voor de mensen
Dagelijkse scheppingsdrang

***

De afgelopen dagen zijn er in Frankrijk zeven mensen gestorven van de koude. Deze nieuwjaarswens bedacht ik in mijn bed, met een wollen dekbed, een quilt, een slaapzak en de kat bovenop mij. De laatste drie wensen zijn maar mogelijk als je al het voorgaande al hebt.

Meer proza en poëzie op https://christinevandenhove.wordpress.com

Doorgeefboom

Als ik een jongen was geweest, was ik waarschijnlijk garagist geworden, of mecanicien, of misschien wel manager van een sjieke Mercedes-garage. Maar vijftig jaar geleden werden meisjes niet verondersteld om interesse op te brengen voor het vakmanschap en nog minder om in een garage rond te hangen. Want daar waren jongens!
Mijn vader had graag een zoon gehad om hem op te volgen, maar hij kreeg zeven dochters.
Er zijn woorden uit mijn jeugd die ik onthouden heb: pare-choc, bougie, batterie, joint de culasse en zelfs cardan-as. Ik wist dat een cardan-as een soort stok of arm is die onderaan je auto zit. Nu weet ik zelfs nog meer: hier noemen ze het l’arbre de transmission. Is dat niet mooi? De doorgeefboom. Hij verbindt het differentieel met de boîte de vitesse.
Daar zat dus het probleem. De boom wou niet in de boîte blijven zitten. En dus hebben ze een nieuwe boom geplaatst. Nu hopen we maar dat hij blijft zitten, want anders ligt het aan de boîte. En dan zijn we nog verder van huis.
Ik heb nu weer een auto en ik rijd nog voorzichtiger dan ervoor, les doigts croisés, zoals de garagist liet zien.
Ik had hem willen zeggen: mijn vader was ook garagist. Maar ik weet niet of het indruk zou gemaakt hebben. Het is iets dat soms nog op mijn lippen ligt, en laat ik eerlijk zijn, een beetje pijn doet.

Champagne

Vanmorgen kon ik met de buurvrouw mee. Ze voorspelde lange files in de Carrefour en ze vroeg of ik veel nodig had. Zij zou haar kerstboodschappen doen. Ik had niet echt veel nodig, maar ik bedacht dat ik maar best wat voorraad insloeg, zodat ik er met mijn volgeladen winkelkar uitzag als iemand die uitbundig kerst ging vieren. Wie goed keek, zou gezien hebben dat vooral de pakken kattenzand, kattenvoeding, en de familieverpakking melk het volume uitmaakten. Maar wie kijkt er nu in andermans winkelkar? Alleen gekke schrijvers doen dat.
Om toch iets feestelijks te doen, besloot ik een flesje schuimwijn voor mijn moeder te kopen. Ik begaf me naar de afdeling flessen en ik bekeek het aanbod. Naast mij stond een mijnheer met een verschoten oudroze jas en een uitgerafelde tapijttas. Hij wiebelde wat naar voor en naar achter en ik vroeg me af of hij misschien al iets gedronken had. Maar het kon ook de leeftijd zijn. Hij gaf wat uitleg bij de dure flessen, maar ik luisterde niet. Dit was niet wat ik zocht. We draaiden ons gelijktijdig om, want aan de overkant was het rek met de champagne-achtigen. Hij besprak een voor een de streken. Een Crèmant de Bordeaux raadde hij af. Maar in de Alsace maken ze goede producten. Limoux is ook goed, en een beetje van de streek, maar er was alleen Blanquette in voorraad.
‘Onderaan staan flessen voor mensen met weinig geld’, wees hij. ‘Daar zitten geen slechte dingen tussen.’
Hij nam een fles Kieffer van het onderste schap en toonde ze mij.
‘Je moet wel de brut nemen’, zei hij.
Ik knikte, maar ik nam de fles niet van hem aan. Hij zette ze terug. Uiteindelijk koos ik een klein flesje Crèmant d’Alsace in het midden van het rek.
‘Goede keuze’, zei hij, ‘maar zou u geen grote fles nemen? Het prijsverschil is zo klein. Dan kunt u meer drinken voor bijna evenveel geld.’
Volgzaam als ik ben, wisselde ik de kleine voor een grote fles en zette ze in mijn kar. Ik bedankte hem voor zijn hulp en maakte aanstalten om naar de volgende rayon te gaan. Ik keek nog even om en zag hem door de knieën gaan. Hij koos toch maar voor de Kieffer.
‘Ik denk dat ik er twee neem’, hoorde ik hem nog zeggen.
Ik wou dat ik erbij kon zijn, op dat moment waarop hij de eerste slok Kieffer koel op zijn tong laat parelen. Het is een Alsace, daar maken ze goeie dingen.

Onaffe verhalen

Eerst was er de vrouw bij de bushalte in Vinça. Ze was een verhaal op zich, met haar witte kunstbontmuts onder haar kin geknoopt en haar nylon handtas die openhing. Ze bleef mij maar vele mooie dingen toewensen omdat dat geluk bracht. Veel geluk had ze nog niet gehad, maar voor ze de details kon geven, was de bus daar.
Mijn bus, want zij nam de volgende. Misschien maar beter zo, want er kwam die dag nog heel wat op mij af.
Mijn moeder had een moeilijke dag. Ze had geen zin om te gaan lunchen en ze vond dat ik maar in haar plaats, aan haar tafel in het restaurant moest gaan eten. Bij madame F en madame J, en madame V die soms het karafje wijn van mijn moeder aan haar lippen zet.
Ik kon haar toch overhalen om met mij naar het aparte zaaltje te gaan, waar bezoekers en residenten samen kunnen eten. Daar zaten nog een paar mensen die uitgenodigd waren door hun dochter of nichtje. Aan elke tafel werd hard gepraat, want de hoorapparaten werken vaak niet goed, zodat ik de gesprekken kon volgen. Maar mijn moeder had ook wat te vertellen.
Over haar oom, mijn peter, die een lief had. Dat meisje werkte in Brussel in een winkel en werd zwanger van haar baas. Toen het kind geboren werd, stopte ze het onder haar hoofdkussen. Het kind stierf, maar of het meisje daarvoor in de gevangenis terecht kwam, wist ze niet. En wat nonkel Louis toen gedaan heeft ook niet. Ze was nog klein.
Een paar jaar later had ze op zijn kamer in de laden van zijn commode gerommeld en had ze een kaart gevonden. ‘Duizend kussen, uw Maria’ stond erop. Of Maria dan het winkelmeisje was, wist ze niet. Wel had ze die avond aan tafel ‘Duizend kussen, uw Maria’ geciteerd. Wat haar bijna een oorveeg van nonkel Louis had gekost.

Mijn moeder is leverancier van onaffe verhalen, maar zij niet alleen. Al die mensen bij de bushaltes, op de bus, in het station, langs de straten. Ze vertellen een beetje aan de hand van hun kleren, hun schoenen, hun tassen, hun haardracht, de uitdrukking op hun gezichten. En ik ben zo nieuwsgierig als mijn moeder, die in de kamer van haar oom rommelde. Ik zou alles willen weten: wat voor werk ze doen, hoe ze thuis komen, of ze een hond of een kat hebben.

Ik vraag nooit iets. De mensen komen het mij zelf vertellen. Op bus 6 kwam een vrouw naast mij zitten die eerst vertelde dat ze ruzie had gemaakt met haar huisdokter omdat hij haar geen spuitje met antibiotica wou geven. Daarna zei ze dat ze een hekel aan de feestdagen had omdat haar dochter een paar jaar geleden in de kerstnacht door het raam was gevallen. Of gesprongen of geduwd. Ze zou het nooit te weten komen.
Ik wenste haar geen Bonnes Fêtes, maar wel Bon Courage. Sommige verhalen moeten elke keer opnieuw verteld worden, opdat de verteller ze zelf leert geloven.

Al die drama’s nam ik mee naar huis en ik dacht in mijn warme bed aan nog veel meer zichtbaar en onzichtbaar mensenverdriet. En toch was ik niet ongelukkig.

Voyage

Gisteren heb ik mijn moeder verrast met een bezoek. Ze verwachtte me niet omdat ze weet dat ik nog altijd zonder auto ben. Dit was mijn traject:

Le taxi scolaire (*) van Glorianes naar Vinça : 1€
Bus 240 van Vinça naar Perpignan: 0€
In de Fnac een kookboek voor mijn nichtje gaan kopen.
Bus 7 naar Cabestany: 1,2€
Lunch met mijn moeder.
Bus 3 naar Perpignan: 1,2€
Bus 6 naar het station: 0€
Bus 240 naar Ille-sur-Têt: 1€
Gesprek met de garagist, die de oorzaak van het probleem maar niet vindt.
Boodschappen in de Carrefour.
Taxi van Ille naar Vinça: 20€ (beetje overdreven)
Le taxi scolaire van Vinça naar Glorianes.

Voor 24,4€ ben ik een hele dag op reis geweest en werden mijn boodschappen naar huis gebracht. Hieronder een paar sfeerbeelden. De verhalen komen later.

(*) Kinderen die in afgelegen dorpen wonen, worden dagelijks opgehaald met een taxi. Mijn buurmeisje vertrekt elke ochtend om 8.30 en wordt om 17 u weer naar boven gebracht. Andere dorpsbewoners mogen mee voor 1€.

DSCN4863

DSCN4870

DSCN4877

DSCN4879

Raccourci

Elk nadeel heeft zijn voordeel, zelfs een kapotte auto. Vanmorgen heb ik mijn boodschappen te voet gedaan. Bij het afdalen had ik geluk, ik kon meerijden met Olivier. Hij zette me af bij het rond punt beneden zodat ik eerst bij de groenteboer in Joch wijn en groenten kon gaan kopen en dan naar de superette van Vinça kon lopen voor de rest. Op weg van Joch naar Vinça ligt het huis van meneer en mevrouw Nuixa, die aardige oude mensen die me al eerder hun hulp en vriendschap aanboden. Ik kon er niet voorbij gaan zonder even bonjour te gaan zeggen. Ik kreeg er groene thee en madame Nuixa bood me een kamer aan in haar huis voor als ik niet naar boven zou geraken. Maar het was nog niet eens middag en ik dacht wel dat het zou lukken om nog voor donker de berg op te zijn.
Tussen Vinça en Rigarda (3 km) kwam niemand van het dorp voorbij. In Rigarda moest ik kiezen: ofwel nam ik de asfaltweg en liep ik kans dat er alsnog een dorpsgenoot naar boven zou rijden en me mee zou nemen, ofwel nam ik een kortere binnenweg waarmee ik de helft van de bochten kon afsnijden. Omdat het weer zacht was en omdat ik die ‘raccourci’ nog nooit genomen had, besloot ik dat toch maar te doen.
Het pad liep een tijdje langs een rivier en ging dan de helling op. Het werd klimmen en met mijn zware rugzak was het best lastig. Maar het was de moeite waard. Het pad liep langs en over muurtjes, die je hier wel vaker ziet, en waarvan ik me elke keer afvraag wie ze met hun handen gebouwd hebben en hoeveel honderden jaren dat geleden is. Het liep naast en over de rivier, over een smalle houten brug, het klom steil omhoog zonder te ontmoedigen. Die wandeling vervulde mij met een soort geluksgevoel, dat je alleen tijdens het wandelen ervaart en dat ik moeilijk kan omschrijven. Wandelaars kennen dat wel. Misschien heeft het iets met serotonine te maken, zoals bij het lopen.
Na drie kwartier klimmen kwam ik aan bij de asfaltweg tussen Rigarda en Glorianes, bij het paaltje van 4km. Ik was halfweg. Wat verderop kreeg ik opnieuw een lift van Olivier en rond drie uur was ik thuis, bezweet, hongerig en moe, maar heel tevreden. Ik weet nu wat ik moet doen om de laatste donkere week door te komen: klimmen.
 
Foto0045

Foto0042

Foto0044

Foto0046