Eerst was er de vrouw bij de bushalte in Vinça. Ze was een verhaal op zich, met haar witte kunstbontmuts onder haar kin geknoopt en haar nylon handtas die openhing. Ze bleef mij maar vele mooie dingen toewensen omdat dat geluk bracht. Veel geluk had ze nog niet gehad, maar voor ze de details kon geven, was de bus daar.
Mijn bus, want zij nam de volgende. Misschien maar beter zo, want er kwam die dag nog heel wat op mij af.
Mijn moeder had een moeilijke dag. Ze had geen zin om te gaan lunchen en ze vond dat ik maar in haar plaats, aan haar tafel in het restaurant moest gaan eten. Bij madame F en madame J, en madame V die soms het karafje wijn van mijn moeder aan haar lippen zet.
Ik kon haar toch overhalen om met mij naar het aparte zaaltje te gaan, waar bezoekers en residenten samen kunnen eten. Daar zaten nog een paar mensen die uitgenodigd waren door hun dochter of nichtje. Aan elke tafel werd hard gepraat, want de hoorapparaten werken vaak niet goed, zodat ik de gesprekken kon volgen. Maar mijn moeder had ook wat te vertellen.
Over haar oom, mijn peter, die een lief had. Dat meisje werkte in Brussel in een winkel en werd zwanger van haar baas. Toen het kind geboren werd, stopte ze het onder haar hoofdkussen. Het kind stierf, maar of het meisje daarvoor in de gevangenis terecht kwam, wist ze niet. En wat nonkel Louis toen gedaan heeft ook niet. Ze was nog klein.
Een paar jaar later had ze op zijn kamer in de laden van zijn commode gerommeld en had ze een kaart gevonden. ‘Duizend kussen, uw Maria’ stond erop. Of Maria dan het winkelmeisje was, wist ze niet. Wel had ze die avond aan tafel ‘Duizend kussen, uw Maria’ geciteerd. Wat haar bijna een oorveeg van nonkel Louis had gekost.

Mijn moeder is leverancier van onaffe verhalen, maar zij niet alleen. Al die mensen bij de bushaltes, op de bus, in het station, langs de straten. Ze vertellen een beetje aan de hand van hun kleren, hun schoenen, hun tassen, hun haardracht, de uitdrukking op hun gezichten. En ik ben zo nieuwsgierig als mijn moeder, die in de kamer van haar oom rommelde. Ik zou alles willen weten: wat voor werk ze doen, hoe ze thuis komen, of ze een hond of een kat hebben.

Ik vraag nooit iets. De mensen komen het mij zelf vertellen. Op bus 6 kwam een vrouw naast mij zitten die eerst vertelde dat ze ruzie had gemaakt met haar huisdokter omdat hij haar geen spuitje met antibiotica wou geven. Daarna zei ze dat ze een hekel aan de feestdagen had omdat haar dochter een paar jaar geleden in de kerstnacht door het raam was gevallen. Of gesprongen of geduwd. Ze zou het nooit te weten komen.
Ik wenste haar geen Bonnes Fêtes, maar wel Bon Courage. Sommige verhalen moeten elke keer opnieuw verteld worden, opdat de verteller ze zelf leert geloven.

Al die drama’s nam ik mee naar huis en ik dacht in mijn warme bed aan nog veel meer zichtbaar en onzichtbaar mensenverdriet. En toch was ik niet ongelukkig.