Nood & deugd

Laat ik het maar bekennen: Vorige week zat ik een paar dagen in zak en as omdat ik bericht kreeg dat ik een groot bedrag moet investeren in het afvoersysteem van mijn huisje. Dit is een verplichte operatie sinds de milieunormen zijn verstrengd en het komt extra duur uit omdat ik geen eigen terrein heb, waarop het afvalwater gezuiverd kan worden.

Nadat ik van de schok bekomen was, begreep ik dat er niets anders opzat dan in een iets hogere versnelling naar werk te gaan zoeken. Ik stelde een “plan de campagne” op, dacht zeer diep en lang na over wat voor werk ik wil doen en vooral waar ik zou willen werken, want de kilometers duren hier langer dan in België.

En vanmorgen ging ik voor de eerste keer op pad. Ik had drie adressen in gedachten. Het eerste was de toeristische dienst van Vinça. Dat stadje is zo klein en schijnbaar onbeduidend dat je er niet eens zo’n dienst verwacht, laat staan dat hij open is op een donderdag in het laagseizoen. De dame die het kantoor bemande, kon me weinig nieuws vertellen, maar ze bevestigde dat mijn plan een goed plan was. En daar was ik al heel blij mee. Ze gaf me nog een regiokaart en een adresboekje met de bezienswaardigheden in de omgeving mee en wenste me veel succes.

Daarna reed ik richting Arboussols naar het dichtstbijgelegen monument: de prieuré de Marcevol, een Romaans klooster met zicht op de Canigou. In het klooster wonen geen geestelijken meer, het is nu een bezienswaardigheid en een bescheiden cultureel centrum, waar groepen kunnen overnachten.

Het klooster zag er gesloten uit. Overal stonden brandweerwagens, en in de kerk stonden tenten opgesteld. Ik liep rond het gebouw en ik zag iemand in de keuken. Verbaasd over mijn eigen stoutmoedigheid, vroeg ik of er soms iemand van de directie aanwezig was. En ja hoor, een brandweerman bracht me naar het kantoor van de directrice.

Daar vertelde ik in drie woorden wat ik zocht. De dame luisterde aandachtig, maar antwoordde dat ze al een équipe had. Ze klonk niet echt afwijzend, eerder een beetje spijtig. Maar misschien hebt u wel eens vervanging nodig, zei ik, en ik legde kort uit hoe polyvalent, flexibel en gemotiveerd ik wel was.

Het derde adres heb ik vandaag niet meer gedaan. Ik was te gehaast om naar huis te gaan en alvast te beginnen om op haar uitnodiging in te gaan en een mail met mijn gegevens te sturen. In mijn handtas zat haar kaartje, dat van de enige en echte directrice van de fondation du prieuré. Ik reed zingend langs een prachtige bergpas naar huis. Zo’n bemoedigend resultaat op de eerste dag van mijn queeste had ik niet verwacht. Wordt vervolgd.

DSCN3070

Naschrift

Als ik alleen vertel wat ik gedaan heb, is het eigenlijk maar een saaie boel, bedenk ik nu. Laat ik dus ook maar vertellen wat ik gisteren niet gedaan heb.

Ik heb geen enkele foto genomen, gewoon omdat ik mijn fototoestel vergeten was. Zo heb ik iets niet gefotografeerd: een zwarte handtas op de grote witte trap naar de uitgestrekte en akelig lege parking van het Palais des Expositions. Het was een grote handtas en er zat van alles in. Dat kon ik zien. Er stak een stukje rode stof uit. Maar ik heb ze niet alleen niet gefotografeerd, ik heb ze niet meegenomen, zelfs niet aangeraakt. Ik durfde niet! Ik durfde er zelfs niet te lang naar te kijken. Wat een schrikkepuit ben ik toch. Ik vroeg me nog even af of ik de politie moest bellen, maar toen voelde ik me nog belachelijker. En nu zit ik me hier af te vragen wat er in die tas zat en van wie ze was en wie ze uiteindelijk zal aangeraakt of meegenomen hebben.

Ook heb ik een mooie rode cardigan niet gekocht, al kreeg ik zeventig procent korting als ik er twee kocht. Maar ik heb er geen twee nodig, dus kocht ik helemaal niets. In plaats daarvan heb ik naar een mevrouw geluisterd die me uitlegde dat ze zo klein en zo mager was omdat ze in de oorlog honger had geleden.

Tenslotte heb ik niet-niet een citroenboompje gekocht. Wel dus. Het had niet moeten zijn, want het kon niet echt van mijn budget en bovendien zijn citrusvruchten niet geschikt om op een berg te planten. Ik heb het boompje op de binnenplaats gezet en het beloofd dat ik het tegen de kou zal beschermen. Straks zal ik er een foto van nemen.

DSCN3057

Maandag

Sinds een paar weken slaag ik er in om zes van de zeven weekdagen op de berg te blijven. Op maandag probeer ik dan alles wat beneden moet gebeuren in één dag te proppen. Zo ben ik vandaag eerst naar de groenteboer geweest en daarna naar een bakker die lekker en lang houdbaar brood verkoopt. De voormiddag heb ik doorgebracht in Perpignan, waar ik een paar uurtjes per week wat klusjes doe en na de middag heb ik mijn ouders bezocht.

Mijn vader en mijn moeder zijn nu een jaar in het rusthuis in Cabestany. Gelukkig heb ik maar één paar ouders en hoef ik die overgangsperiode nooit meer mee te maken. Zij hebben het erg moeilijk gehad. Er was veel verdriet, soms ongeloof en woede. En bij mij onmacht want ik kon het begrijpen, maar ik kon er niets aan veranderen.

Nu pas, na een lang jaar, krijg ik de indruk dat ze vrede hebben met de situatie. Ze zijn aan de verzorging gewend geraakt en de verzorgers zijn aan hen gewend geraakt. Vooral dat laatste viel me vandaag op. Ze kennen de lichamelijke gevoeligheid van mijn vader en ze stoppen hem in zoals hij dat graag heeft. Ze kennen de afhankelijkheid van mijn moeder en ze geven haar op een gecontroleerde manier wat ze nodig heeft. Ze zijn in goede handen.

Dus kon ik met een gerust hart naar huis rijden. Ik had onderweg nog wat lekkers kunnen inslaan in de grote Carrefour van Ille, maar ik ben doorgereden. Meteen de berg op. Ik was nieuwsgierig naar mijn nieuwe kweek paddestoelen. En ja, na een hele dag weg, zijn ze weer zichtbaar gegroeid.

La Picote

Aan de rand van het dorp woonde vroeger een oud vrouwtje, “La Picote”. Waarom ze zo genoemd werd, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Picoter betekent prikkelen en naar wat ik hoor was het niet bepaald een prikkelende dame.

Thérèse, La Picote, woonde heel alleen en leefde van Gods genade en van wat ze in het bos vond. Als ze in de zestiende eeuw had geleefd was dat waarschijnlijk reden genoeg geweest om haar te martelen en vervolgens op de brandstapel te gooien.

Volgens de mensen die haar gekend hebben, zag ze er ook uit als een heks. Ze had een bleke huid, grove mannelijke trekken, een dikke neus en ze was altijd in het zwart gekleed. Op het einde van haar leven droeg ze een grote zonnebril die ze aan een man van een naburig dorp had gevraagd, want ze kon niet meer tegen de zon. In haar huis stond nauwelijks meubilair. In haar woonkamer was enkel een grote haard. De rest van de ruimte werd benomen door sprokkelhout, waaronder lange stronken die ze langs één kant in het vuur legde en steeds verder opschoof tot de hele stam opgebrand was. Dit eigenaardige gebruik heb ik onlangs bij andere, “normale” mensen ook gezien.

Ze was mensenschuw en praatte enkel tegen haar katten. Op een dag kwamen er wandelaars langs, die dachten dat het huis verlaten was. Ze installeerden zich met hun picknick voor de deur. Thérèse had duidelijk geen zin om hen aan te spreken of weg te jagen, want ze sloop zelf door de achterdeur naar buiten en weer naar binnen om hout te halen.

Toen de dorpelingen het vreemd begonnen te vinden dat er al een week geen rook meer uit de schouw kwam, zijn ze met de moed in hun schoenen binnengebroken. Ze vonden er La Picote, al een tijdje overleden en half opgegeten door haar katten …

Haar huis is intussen geërfd en opgeknapt, en heet nu Mas Picote. Dan toch liever Can Xatard.

Brandstof

Het kan hier in huis erg knus zijn. De kachel die van katoen geeft en de sneeuw die langs het raam dwarrelt. De hele dag. Vanmiddag had ik plots genoeg sneeuwvlokken gezien en ben ik naar buiten gegaan. Het was niet eens erg koud, er was even geen wind. Nu steekt hij weer op. Ik had wat lucht en wat licht nodig en ik trok het bos in. Zonder rugzak en boodschappentassen deze keer. Maar dan vond ik dat ene stronkje dat zijn armpjes naar mij uitstak. Ach, ik heb het toch maar meegenomen

.DSCN3003

Météo

In België zijn ze al heel wat gewoon wat sneeuw en koude betreft. Veel spectaculairs heb ik dus niet te vertellen, behalve dat door de wind het acht graden kouder aanvoelt dan het in werkelijkheid is. Buitentemperatuur is 2°, “ressentie” -6°. Mijn brievenbus voelt dat ook, want ze wil niet open. Het slot is blijkbaar bevroren. Ik zou ze mee naar binnen kunnen nemen en bij de kachel zetten, als ik ze niet verzwaard had met drie dikke keien binnenin. Er zit niets anders op dan mijn nieuwsgierigheid een paar dagen te bedwingen. Ik vraag me trouwens af of de factrice met dit weer wel de berg op komt.

DSCN2955

Buurvrouw Lyn en dochterje Natacha halen hout binnen.

DSCN2958 DSCN2961

Naïef

Ben ik naïef? vroeg ik me vandaag af. Soms wel. In veel gevallen ga ik ervan uit dat de mensen het beste met mij voor hebben. Dat ze mij behandelen zoals ze zelf behandeld willen worden. En in nog eens veel van die veel gevallen, valt dat tegen.

Me terugtrekken in een huis in een dorp op een berg, het helpt niet eens. Want ook hier ben ik afhankelijk van andere mensen die mij hun dingen en hun werk veel te duur verkopen.

Ik denk dat ik met de jaren al wat minder goedgelovig geworden ben, maar op één of andere manier moet ik er naïef en goedgelovig uitzien, want ze blijven mij in de luren leggen. Dat proberen ze toch.

“Ze” dat is bijvoorbeeld de houtleverancier uit Prades die mij slechte kwaliteit geleverd heeft. Bij hem ben ik niet gaan klagen. Ik koop er gewoon niets meer.  “Ze” is de loodgieter die me aan mijn lot overliet met een hemeltergende constructie naast mijn huis, waar zelfs de burgemeester niet goed van was. Diezelfde loodgieter stuurt mij een factuur waar ik op mijn beurt niet goed van werd. Meer dan het driedubbele van wat ik in gedachten had.

Gelukkig had ik vanmorgen mijn handen vol aan hout dat mijn buur gisteren onaangekondigd op de straat gestort had. Laat ik toch maar dankbaar zijn. Van hem krijg ik mooi op maat gesneden eik, tegen vier zevenden van de prijs die ik aan de Pradien betaalde. Tijdens het stapelen bedacht ik Franse volzinnen waarmee ik de loodgieter op zijn inhaligheid zou kunnen wijzen.

Uiteindelijk reed ik naar Vinça om hem te vragen of hij zich soms niet vergist had en wat dan wel zijn uurtarief was. Hij verminderde de rekening spontaan met 130 euro, wat  mijn overtuiging versterkte dat hij er met zijn klak naar gegooid had.

Het blijft een dikke streep door mijn rekening, maar ik ben gelukkig niet voor niets van mijn berg gekomen. Bij mijn thuiskomst heb ik nog snel mijn wandelschoenen aangetrokken om nog maar eens toe te geven aan mijn sprokkelverslaving. Je zou voor minder.

Mier

Gisteren was het een prachtige dag. Het was zo mooi en warm dat ik niet aan de verleiding kon weerstaan om de eerste kruiden te zaaien. Nu maar hopen dat ze niet kapotvriezen.

Vandaag was het wat minder, nog zachte temperaturen maar af en toe bewolkt. Daarom begon ik aan een vertaalwerkje waar ik niet rijk van zal worden, maar dat erg plezierig is om te doen. Af en toe keek ik naar buiten om te kijken of de zon toch niet wou schijnen, maar ze bleef weg. Na de middag kwam mijn buurman kloppen. Of ik zin had in wat buitenwerk?  Hij had me door het venster zien zitten aan mijn laptop. Ik liep met hem mee naar zijn “gare à foin” (hooischuur) waar een stapel versgezaagd eikenhout lag. Dat mocht ik in de laadbak van de tractor gooien en honderd meter verder, langs de zijkant van mijn huis, opnieuw stapelen. Het eerste deel van mijn houtvoorraad voor volgende winter. Het is prettig om te weten dat ik al wat heb tegen de koude die nog ver in de toekomst ligt, maar zeker weer zal komen.

Na die klus vond ik dat ik vandaag dan maar niet moest gaan sprokkelen. Maar … sprokkelen blijkt verslavend, zeker nu ik weet dat er op een bepaalde plek heel veel hout ligt. Dus trok ik rond vijf uur maar weer het bos in. De komende dagen gaat het regenen, ik kon maar beter nog een keertje gaan. Ik raapte twee zakken hout en een zak stenen. Keien heb ik nodig om het putje te vullen waar mijn afvoerwater in de grond gaat. (Ooit krijg ik misschien toch nog een beetje technisch inzicht.) Hout sprokkelen en zelfs keien rapen vind ik echt leuk. Een kilometer stappen met een zak stenen in mijn rugzak en aan elke hand een draagtas met hout, vraagt wat meer inspanning. Maar dat reken ik dan tot de dagelijkse conditietraining. Onderweg kwam ik een paar dorpsgenoten tegen, ik voelde me nog meer mier dan gisteren.

En zo kan ik terugkijken op een vruchtbare dag: ik heb een kleine stère nieuwe houtvoorraad, mijn afvoerputje is voor een derde gevuld met keien en op de binnenkoer ligt een stapel aanmaakhout. Morgen, als het regent, vertaal ik wel verder.