Aan de rand van het dorp woonde vroeger een oud vrouwtje, “La Picote”. Waarom ze zo genoemd werd, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Picoter betekent prikkelen en naar wat ik hoor was het niet bepaald een prikkelende dame.

Thérèse, La Picote, woonde heel alleen en leefde van Gods genade en van wat ze in het bos vond. Als ze in de zestiende eeuw had geleefd was dat waarschijnlijk reden genoeg geweest om haar te martelen en vervolgens op de brandstapel te gooien.

Volgens de mensen die haar gekend hebben, zag ze er ook uit als een heks. Ze had een bleke huid, grove mannelijke trekken, een dikke neus en ze was altijd in het zwart gekleed. Op het einde van haar leven droeg ze een grote zonnebril die ze aan een man van een naburig dorp had gevraagd, want ze kon niet meer tegen de zon. In haar huis stond nauwelijks meubilair. In haar woonkamer was enkel een grote haard. De rest van de ruimte werd benomen door sprokkelhout, waaronder lange stronken die ze langs één kant in het vuur legde en steeds verder opschoof tot de hele stam opgebrand was. Dit eigenaardige gebruik heb ik onlangs bij andere, “normale” mensen ook gezien.

Ze was mensenschuw en praatte enkel tegen haar katten. Op een dag kwamen er wandelaars langs, die dachten dat het huis verlaten was. Ze installeerden zich met hun picknick voor de deur. Thérèse had duidelijk geen zin om hen aan te spreken of weg te jagen, want ze sloop zelf door de achterdeur naar buiten en weer naar binnen om hout te halen.

Toen de dorpelingen het vreemd begonnen te vinden dat er al een week geen rook meer uit de schouw kwam, zijn ze met de moed in hun schoenen binnengebroken. Ze vonden er La Picote, al een tijdje overleden en half opgegeten door haar katten …

Haar huis is intussen geërfd en opgeknapt, en heet nu Mas Picote. Dan toch liever Can Xatard.