Sinds een paar weken slaag ik er in om zes van de zeven weekdagen op de berg te blijven. Op maandag probeer ik dan alles wat beneden moet gebeuren in één dag te proppen. Zo ben ik vandaag eerst naar de groenteboer geweest en daarna naar een bakker die lekker en lang houdbaar brood verkoopt. De voormiddag heb ik doorgebracht in Perpignan, waar ik een paar uurtjes per week wat klusjes doe en na de middag heb ik mijn ouders bezocht.

Mijn vader en mijn moeder zijn nu een jaar in het rusthuis in Cabestany. Gelukkig heb ik maar één paar ouders en hoef ik die overgangsperiode nooit meer mee te maken. Zij hebben het erg moeilijk gehad. Er was veel verdriet, soms ongeloof en woede. En bij mij onmacht want ik kon het begrijpen, maar ik kon er niets aan veranderen.

Nu pas, na een lang jaar, krijg ik de indruk dat ze vrede hebben met de situatie. Ze zijn aan de verzorging gewend geraakt en de verzorgers zijn aan hen gewend geraakt. Vooral dat laatste viel me vandaag op. Ze kennen de lichamelijke gevoeligheid van mijn vader en ze stoppen hem in zoals hij dat graag heeft. Ze kennen de afhankelijkheid van mijn moeder en ze geven haar op een gecontroleerde manier wat ze nodig heeft. Ze zijn in goede handen.

Dus kon ik met een gerust hart naar huis rijden. Ik had onderweg nog wat lekkers kunnen inslaan in de grote Carrefour van Ille, maar ik ben doorgereden. Meteen de berg op. Ik was nieuwsgierig naar mijn nieuwe kweek paddestoelen. En ja, na een hele dag weg, zijn ze weer zichtbaar gegroeid.