Mijn anders zo stroeve buurman, vroeg gisteren wat er aan de hand was en wenste mij veel sterkte. Zijn vrouw laat ’s morgens Sapphir buiten en houdt een oogje op het huis.

Als ik van de berg rijd, zwaait Céline. Het is prettig om te weten dat ik er stilaan begin bij te horen. Dat ik “van het dorp” ben. Nog niet voor iedereen, maar dat komt nog wel.

De deur van mijn huisje staat overdag gewoon open. Blijkbaar komt er al eens ongewenst bezoek. De woonkamer lag eergisteren vol witte en zwarte pluizen. Sapphir heeft met glans het fort verdedigd tegen de witzwarte kat die ik al eens achter het muurtje zag, want zelf heeft ze nog al haar blauwgrijze haar. Ze miauwt klaaglijk als ik aanstalten maak om weer te vertrekken.

Op de trap en het koertje liggen strontjes in verschillende formaten. De vleermuizen komen alleen als ik er niet ben. Waarschijnlijk is er ook een das geweest. Hij groef zich een toegang naar de composthoop. Ik zou al die beestjes wel eens bezig willen zien. Wie weet wat een drukte er is, ‘s nachts rond het huis.

Op dit moment ligt Sandra de slang misschien wel te zonnen op de trap. Er valt een streep zon op het bed van mijn vader. Hij slaapt vandaag kortere stukken. Zijn lichaam verzwakt, maar zijn blik is soms helder. Hij weet dat mijn moeder straks komt. Af en toe prevelt hij haar naam.

Clara en ik halen herinneringen op. Het zijn straffe verhalen, waar we nu kunnen om lachen. Maar toen niet.

Op de slingerende weg naar het dorp, denk ik aan het woord “onderweg”. We zijn zo “onderweg” als maar kan zijn.