Mijn vader heeft de trein naar het hiernamaals gemist.

De dokters brengen ons het nieuws en begrijpen dat we niet van onze stoel springen van blijdschap. Het vooruitzicht: nog een aantal dagen ziekenhuis, daarna misschien weer naar het rusthuis, waar hij nog meer afhankelijk zal zijn als daarvoor.

Hij is beter, maar verward en boos. Wat heb ik misdaan? herhaalt hij eindeloos. Waarom houden ze mij hier gevangen? Maak mij los … Hij begrijpt niet dat het zijn eigen lichaam is dat hem gevangen houdt. Hij wil weg, weg … maar alleen zijn rechteronderarm kan nog aanstalten maken om te vertrekken.

Is dit een grap of om te huilen? Ik voel me zo voor schut gezet. Alsof de grote poppenspeler hierboven het nodig vond om ons eens goed te doen schrikken, ons te overladen met een week driedubbele stress, de spanning te mixen met Grote Emoties en mij de laatste twee nachten volledig uit mijn slaap te houden.

Ik zou ook kunnen vragen: wat heb ik misdaan? Maar ik geloof niet in de grote poppenspeler. Wel in de grillen van de natuur.

Het enige wat ik bereid ben om nog eens onder ogen te zien, is dat ik geen greep heb, op niets. Het enige wat mij nu troost, is de warme en poederige geur van de ceder naast mijn huis.