Mijn vader hield van vogels. Hij praatte met zijn vogels op een lieve toon die je enkel in de manshoge volières kon horen. Hij riep de beestjes met koosnaampjes en maakte daarbij de meest eigenaardige geluiden. Hij deelde zijn hobby niet met ons, toch niet met mij. Misschien gaf ik te weinig blijk van interesse of misschien dacht hij dat meisjes niet om vogels gaven. En achteraf gezien, was ik waarschijnlijk wat jaloers op die liefhebberij. Daardoor weet ik eigenlijk niets van vogels. Van het roodborstje dat hier soms op het weggetje rondspringt, weet ik dat het een roodborstje is. En de oehoe van een uil herken ik ook. Een vogel die met grote gespreide vleugels over de bergkam scheert, is een roofvogel. Daar houdt mijn kennis ongeveer op.

Op de daken van het ziekenhuis huppelen zwart-witte vogels met lange staarten. Hij zou meteen weten wat voor vogels het zijn, maar hij kan niet door het raam kijken.

Zijn gezicht is ingevallen, zijn neus is scherp. Als ik hem met een koffielepeltje stukjes in-koffie-geweekte cake voer, denk ik aan de kuikentjes die hij met een pipetje voerde, hun bekjes wijd open. Liefdevol en zorgzaam, zo deed hij dat.