Sommige dingen wennen snel. Ik, die me tot in de puntjes organiseerde om toch maar zo weinig mogelijk van de berg te moeten komen, pendel nu elke dag naar Perpignan. Ik bekijk het een beetje als tijdelijk werk. Straks, rond halfacht vertrek ik weer, zoals zoveel mensen doen.

De nachtzuster is hier, grap ik tegen mijn dagzusters. Ze vertellen wat er de laatste uurtjes zoal is gebeurd en dan neem ik de dienst over.

Mijn werk is gevarieerd en stelt me voortdurend voor nieuwe uitdagingen. Zo vroeg mijn vader gisteravond naar muziek. Op mijn laptop stond niks bruikbaars en een toegang tot het internet is er niet. Zal ik wat zingen? vroeg ik. Hij knikte heftig. Ik begon met Wien, Wien nur du allein, maar ik herinnerde me alleen de eerste twee regels. Ik probeerde nog wat Duitse liedjes: Adieu mein kleiner Gardeoffizier en Die ganze Welt ist himmelblau … Maar hij schudde zijn hoofd, het was niet goed.

Ik pijnigde mijn hersenen, er moesten toch nog liedjes zijn? Het enige wat ik nog vond was Slaap Kindje Slaap. Ik zette het voorzichtig in. Hij knikte en begon mee te zingen. Ik hield het zuurstofmasker als een micro voor zijn mond. …Oetjes, oetjes blies hij in mijn hand. Nog, nog, zei hij. Het zingen werkte allesbehalve slaapverwekkend. Na negenendertig keer, zei ik dat ik moe was en dat ik ging slapen. Slaapwel, slaapwel, hij bleef het rekken. Toen ik al op het veldbed lag, herhaalde hij het nog zes keer, steeds stiller. Na middernacht viel hij eindelijk in slaap. En toen kwamen de echte nachtzusters in de kamer. Gelukkig begrepen ze het en lieten ze ons gerust.