Cuisine

Onlangs was ik uitgenodigd bij deftige mensen die halfweg de berg wonen. Hun uitvergrote villa is zichtbaar vanuit het dal en zelf zien ze alle omliggende dorpen liggen. Omdat deze mensen verplichtingen hebben en vaak andere deftige mensen moeten uitnodigen, recepties en diners moeten geven, hebben ze heel grote vertrekken. Overal liggen tapijten en staan stijlvolle meubels. Het contrast met mijn dorpshuisje kan niet groter zijn. Maar wat was ik ’s avonds blij om in mijn kleine woonkamertje te zitten, bij mijn kleine kacheltje dat heel veel warmte geeft.

Toch permiteer ik mij ook luxe. De plaatselijke schrijnwerker & zoon plaatst op dit moment een rustieke maar comfortabele keuken. Rustiek, want iets anders zou hier niet passen en min of meer comfortabel want ik breng nogal veel tijd door in de keuken.

Vandaag moet ik mijn keuken missen, maar geen nood, ik ben al soep aan het koken op de kachel. Kwestie van schrijnwerker en zoon een beetje te verwennen. Ik moet ze lang genoeg hier houden, dat het een beetje opschiet. De loodgieter is het helaas al afgebold. Hij durfde niet te blijven, bang dat hij vast zou komen te zitten in de sneeuw.

Ja, het sneeuwt hier dus ook. En de zon schijnt ook. Het kan niet op.

L’ermite

Mijn buren zijn met vakantie, ik ben tijdelijk de enige bewoner van de dorpskern.

Ma soeur, l’ermite, grapt mijn zus wel eens. Ik lach, maar het blijft hangen. Ben ik een kluizenaar? Kluizenaars verdelen hun tijd tussen gebed, meditatie en werk, lees ik op Wikipedia. Ik ben dus geen kluizenaar. Ik bid of mediteer niet, ik werk te weinig en ik heb te veel contacten. Ik blog, en ik bel en mail bijna dagelijks naar de mensen die mij nauw aan het hart liggen.

Maar soms voel ik me toch een klein beetje kluizenaar. Op dagen als vandaag, wanneer de wind koud en onaangenaam is. Dan voel ik plots de eenzaamheid. Ze hangt rond mijn nek als een te zwaar collier.

Nochtans heb ik haar zelf gezocht. En nu ik haar heb, voelt ze soms wat ongemakkelijk aan. Tegelijk heeft ze iets verleidelijks. Alsof er diep in haar iets moois zit. Voorlopig durf ik dat nog niet te verkennen. Ik houd me vast aan de rand van de vijver. Zwemmen is voor later.

Pas méchant

Op de agenda van de gemeenteraad stond als eerste punt “la réfection du mur du parking”. Gespannen wachtte ik op het verslag, dat meestal een half uur na de raad uitgehangen wordt. Het zou immers over het muurtje gaan dat ik een aantal weken aangereden had. De rekening van het autoverhuurbedrijf heb ik al gekregen. Zou ik de schade aan het muurtje ook moeten betalen?

Het verslag was erg kort: de gemeenteraad was niet doorgegaan wegens onvoldoende aanwezigheid. Nog wat uitstel van executie.

Maar vandaag kwam de burgemeester mij vriendelijk vragen of ik mijn auto links of rechts wou plaatsen en niet in het midden van de parking. Ce n’est pas méchant, ce que je vous demande, zei hij.

Het muurtje moet hersteld worden, want er is iemand tegenaan gereden, begon hij dan. Dat was ik, gaf ik meteen toe, een beetje vertederd door zijn vriendelijkheid.

Ach, zei hij, maar daarna is er nog iemand tegenaan gereden. Het is echt een vervelend muurtje, want je ziet het niet als je aan het stuur zit. Misschien moeten we er een paal op plaatsen.

Oef, geen extra kosten meer. Ik zal maar gauw mijn autootje verplaatsen.

DSCN2573

Fluweeldoosje

Sinds ik mijn beklag over de strenge winter heb gedaan, is de lente ingetreden. Zo lijkt het toch. Al drie dagen op rij zijn de temperaturen veel zachter en schijnt de zon het grootste deel van de dag. Benieuwd hoe lang dit gaat duren.

Gisteren ben ik dan ook nog eens het bos ingetrokken, op zoek naar een paddestoel. Het fluweelpootje is een van de weinige soorten die de vorst doorstaan en in de wintermaanden te vinden zijn. Volgens het boekje toch. En volgens sommige websites zou het ook in de Pyreneeën voorkomen. Voorlopig heb ik er nog geen gevonden.

Het werd wel een spannende wandeling want ik vond mijn oversteekplaats over de rivier niet meer terug en ik moest me oriënteren op de zon en op de ligging van het dorp. Gelukkig ligt het dorp in een soort kom en kan je van overal op de hellingen wel een glimp van het kerkje zien. Maar ik vond nauwelijks duidelijke paden en een deel van de weg heb ik zittend en glijdend afgelegd want de aarde was erg mul en op de droge bladeren gleed ik voortdurend onderuit. Het andere deel van de weg heb ik op handen en voeten gedaan, want als het niet bergaf ging, ging het bergop. Gelukkig was ik alleen, want het was eigenlijk geen gezicht.

En in plaats van iets te vinden, ben ik iets verloren. Mijn brillendoos. Het is een mooie stevige doos, bekleed met zwart fluweel. Ze viel waarschijnlijk uit mijn tas tijdens het glijden. Ik vind ze nooit meer terug, want ik zou de weg die ik gegaan en gegleden ben onmogelijk kunnen overdoen. Ze ligt ergens op de bruine eikenbladeren -hopelijk open, dan kan er nog een muisje in gaan wonen- op een plaats waar in geen jaren nog een mens voorbijkomt.

Niet dat ik er zo gehecht aan was, aan mijn fluweeldoosje, maar het is toch een rare gedachte dat het daar nu ligt, ten prooi aan de natuurelementen. Ik zie het al voor mij, hoe het stilaan zal vergaan, grijs zal worden, uit elkaar zal vallen en overgroeid worden. Misschien wel met paddestoelen, fluweelpootjes hoop ik.

Regardez-moi!

Vanavond ging ik snel nog even langs bij madame X, de volbloed Catalaanse die mij vanaf volgend jaar één van haar vele garages in Vinça verhuurt. Hoffelijkheid was hier ver te zoeken. Ze onderwierp me weer aan een kruisverhoor: wat ik daarboven doe, of daar een café is, en waar ik mijn brood haal. Terwijl ik naar mijn chequeboekje zocht, riep ze uit: kijk naar mij in plaats van in uw handtas te rommelen! Dat deed ze nog een paar keer tijdens het gesprek: Regardez-moi! Ik vond het zo grappig dat ze mij niet echt intimideerde met haar commando’s. Toch wel een pittige tante, madame X. Haar man zat in een rolstoel in een hoek van de kamer.

Hoffelijkheid

Vandaag overkwam me weer iets wat ik nog nooit in België heb meegemaakt. Ik stond in de Aldi aan te schuiven met twee dingen in mijn handen: een setje thermisch ondergoed (jaja) en een pakje kaasstengels. Voor mij legde een mijnheer, met een jengelend kind aan zijn hand, een heleboel eetwaren op de band. Hij sprak me aan. Pardon mevrouw, is dat alles wat u koopt? Ik knikte. Gaat u maar voor, zei hij, het kind in bedwang houdend. Ik ging voor zijn kar staan, achter een andere mijnheer die ook heel veel kocht. De tweede mijnheer draaide zich om en keek naar het ondergoed en de kaasstengels. Is dat alles wat u koopt? vroeg hij. Ik knikte weer. En ook hij liet mij voorgaan.

Mijn onderzoeksmateriaal is wellicht te mager om conclusies te trekken. Maar ik vond het toch opmerkelijk. Ik onderwierp mijzelf ook aan een onderzoek. Had ik iets gezegd? Hadden ze mijn accent gehoord? Neen, want ik was alleen. Zie ik er anders uit? Ik denk het niet. Ik probeer er zoveel mogelijk uit te zien als iemand van hier. Net zoals iedereen draag ik afgedragen jeans en dikke truien. Ik rijd met een derdehands auto waarvan het achterlicht het weer niet meer doet. Ik doe boodschappen met grote plastic zakken van de carrefour en de simply market. Ik ben weliswaar een vrouw, maar wel eentje van middelbare leeftijd. Mijn haar is niet goed geknipt en mijn bril zat halfweg mijn neus. En in de winter draag ik lange onderbroeken.

Zouden de Catalanen van nature hoffelijk zijn? Het zou kunnen. Het is een feit dat je in elke winkel vriendelijk gegroet en uitgebreid uitgezwaaid wordt. Je vous souhaite encore un agréable après-midi et une bonne soirée, klinkt het dan. Mooi toch.