Fluweeldoosje

Sinds ik mijn beklag over de strenge winter heb gedaan, is de lente ingetreden. Zo lijkt het toch. Al drie dagen op rij zijn de temperaturen veel zachter en schijnt de zon het grootste deel van de dag. Benieuwd hoe lang dit gaat duren.

Gisteren ben ik dan ook nog eens het bos ingetrokken, op zoek naar een paddestoel. Het fluweelpootje is een van de weinige soorten die de vorst doorstaan en in de wintermaanden te vinden zijn. Volgens het boekje toch. En volgens sommige websites zou het ook in de Pyreneeën voorkomen. Voorlopig heb ik er nog geen gevonden.

Het werd wel een spannende wandeling want ik vond mijn oversteekplaats over de rivier niet meer terug en ik moest me oriënteren op de zon en op de ligging van het dorp. Gelukkig ligt het dorp in een soort kom en kan je van overal op de hellingen wel een glimp van het kerkje zien. Maar ik vond nauwelijks duidelijke paden en een deel van de weg heb ik zittend en glijdend afgelegd want de aarde was erg mul en op de droge bladeren gleed ik voortdurend onderuit. Het andere deel van de weg heb ik op handen en voeten gedaan, want als het niet bergaf ging, ging het bergop. Gelukkig was ik alleen, want het was eigenlijk geen gezicht.

En in plaats van iets te vinden, ben ik iets verloren. Mijn brillendoos. Het is een mooie stevige doos, bekleed met zwart fluweel. Ze viel waarschijnlijk uit mijn tas tijdens het glijden. Ik vind ze nooit meer terug, want ik zou de weg die ik gegaan en gegleden ben onmogelijk kunnen overdoen. Ze ligt ergens op de bruine eikenbladeren -hopelijk open, dan kan er nog een muisje in gaan wonen- op een plaats waar in geen jaren nog een mens voorbijkomt.

Niet dat ik er zo gehecht aan was, aan mijn fluweeldoosje, maar het is toch een rare gedachte dat het daar nu ligt, ten prooi aan de natuurelementen. Ik zie het al voor mij, hoe het stilaan zal vergaan, grijs zal worden, uit elkaar zal vallen en overgroeid worden. Misschien wel met paddestoelen, fluweelpootjes hoop ik.

Regardez-moi!

Vanavond ging ik snel nog even langs bij madame X, de volbloed Catalaanse die mij vanaf volgend jaar één van haar vele garages in Vinça verhuurt. Hoffelijkheid was hier ver te zoeken. Ze onderwierp me weer aan een kruisverhoor: wat ik daarboven doe, of daar een café is, en waar ik mijn brood haal. Terwijl ik naar mijn chequeboekje zocht, riep ze uit: kijk naar mij in plaats van in uw handtas te rommelen! Dat deed ze nog een paar keer tijdens het gesprek: Regardez-moi! Ik vond het zo grappig dat ze mij niet echt intimideerde met haar commando’s. Toch wel een pittige tante, madame X. Haar man zat in een rolstoel in een hoek van de kamer.

Hoffelijkheid

Vandaag overkwam me weer iets wat ik nog nooit in België heb meegemaakt. Ik stond in de Aldi aan te schuiven met twee dingen in mijn handen: een setje thermisch ondergoed (jaja) en een pakje kaasstengels. Voor mij legde een mijnheer, met een jengelend kind aan zijn hand, een heleboel eetwaren op de band. Hij sprak me aan. Pardon mevrouw, is dat alles wat u koopt? Ik knikte. Gaat u maar voor, zei hij, het kind in bedwang houdend. Ik ging voor zijn kar staan, achter een andere mijnheer die ook heel veel kocht. De tweede mijnheer draaide zich om en keek naar het ondergoed en de kaasstengels. Is dat alles wat u koopt? vroeg hij. Ik knikte weer. En ook hij liet mij voorgaan.

Mijn onderzoeksmateriaal is wellicht te mager om conclusies te trekken. Maar ik vond het toch opmerkelijk. Ik onderwierp mijzelf ook aan een onderzoek. Had ik iets gezegd? Hadden ze mijn accent gehoord? Neen, want ik was alleen. Zie ik er anders uit? Ik denk het niet. Ik probeer er zoveel mogelijk uit te zien als iemand van hier. Net zoals iedereen draag ik afgedragen jeans en dikke truien. Ik rijd met een derdehands auto waarvan het achterlicht het weer niet meer doet. Ik doe boodschappen met grote plastic zakken van de carrefour en de simply market. Ik ben weliswaar een vrouw, maar wel eentje van middelbare leeftijd. Mijn haar is niet goed geknipt en mijn bril zat halfweg mijn neus. En in de winter draag ik lange onderbroeken.

Zouden de Catalanen van nature hoffelijk zijn? Het zou kunnen. Het is een feit dat je in elke winkel vriendelijk gegroet en uitgebreid uitgezwaaid wordt. Je vous souhaite encore un agréable après-midi et une bonne soirée, klinkt het dan. Mooi toch.

Winterzon

In de gesprekken over de aankoop van dit huis, waren mij zachte winters beloofd. Alleen van half januari tot begin maart kon het wel eens koud zijn en kon er sneeuw vallen, zeiden de verkopers. Ik weet niet goed wat ik er moet van denken. Dit is geen zachte winter. En hij is al begonnen in oktober. De mensen die zeggen dat het dit jaar uitzonderlijk koud is, wil ik graag geloven. Het is in het dal ook veel kouder dan gewoonlijk.

Ik herinner me dat ik uitkeek naar de winter, naar buiten koude heldere lucht en binnen de gezelligheid van een brandende kachel. En nu betrap ik mij erop dat ik de dagen tot de zonnewende tel en uitkijk naar de lente.

De lastigste dagen zijn de dagen dat het bewolkt is en regent. Zo zijn er al genoeg geweest, hopelijk hebben we dat gehad.

Daarna kwamen de dagen van hevige koude wind, maar met een heldere hemel.

De afgelopen dagen waren koud, windstil en zonnig. ’s Morgens is het even op de tanden bijten om uit bed te komen, maar meestal brandt de kachel nog en krijg ik het snel weer warm. Om 9.35 u floept de zon over de oostelijk bergkam en beschijnt meteen mijn terras. En dat tot 16.10 u. Die tijdspanne zal de komende 10 dagen nog wat verkorten en dan weer verlengen.

De dagen zijn kort, maar zes en een half uur zon per dag is toch wel luxe. Nu nog een dik pak sneeuw!

Slang

Geen paradijs zonder slang. De slang in ons dorp is dezelfde als die van Adam en Eva. Onenigheid heet ze. Al heel snel nadat ik het huis gekocht had, ontdekte ik haar. Hoe is het mogelijk, dacht ik, maar 19 inwoners en toch zijn ze niet in staat om in vrede samen te leven. Ik nam me meteen voor om overal buiten te blijven en op alle achterklap zo neutraal mogelijk te reageren.

Dat lukt min of meer. Ik heb met iedereen hoffelijk contact. Zelfs de burgemeester is sympathieker geworden. Ik werd al een keertje te eten gevraagd bij mijn buur, de (moderne) schaapherder, en gisteren werd ik op de koffie gevraagd bij de linker buurvrouw. Daar kwam de ergernis alweer op tafel, maar ik knikte wat en ging er niet op in.

Toen vertelde ze dat een aantal mensen van het ene kamp bedisseld hebben dat ik een stukje gemeentegrond mag gebruiken om groenten te kweken. Een heel mooi stukje grond dat op natuurlijke wijze geïrrigeerd wordt door een bron. Wel pal in het midden van het dorp zodat iedereen zal kunnen zien hoe ik als stadsmens mijn eerste stappen in de kunst van het groenten kweken zet. Euh.

En wat zal het andere kamp daarvan zeggen? Ik kijk de kat nog maar even uit de boom. En ik vind het helemaal niet erg om voorlopig kerstomaatjes in bloempotten te kweken. We zien wel.

Het was overigens vandaag een heel zonnige dag. Ik kreeg zowaar zin om in de tuin te werken. Maar bij gebrek aan tuin, heb ik de chemin publique aangepakt. Brandnetels, klimop en druivenbladeren verwijderd. Best plezierig.