Zegening

Voor zover ik heb kunnen waarnemen, is er maar één familie in Glorianes die gelovig is. Ze gaan in ieder geval regelmatig naar de kerk zeggen ze.

Tijdens gesprekken met de andere dorpsgenoten over dit soort dingen, verklaren de meesten zich pure atheïsten.

De kerk van Glorianes is de afgelopen jaren in onbruik geraakt. Er wordt maar een keer per jaar, de eerste zondag van augustus, een mis gelezen. Die ene gelovige familie moet ’s zondags dus ergens anders naar de kerk.

Maar omdat het een mooi gebouw is, hebben wij, de bestuursleden van de dorpsvereniging, de kerk al twee keer voor iets anders ingenomen: een vertelnamiddag en een theatervoorstelling. Bij elk van die gelegenheden zat de kerk bomvol.

De gelovige familie had hier blijkbaar geen bezwaar tegen. Toch kwam er kritiek op het gebruik van de kerk voor niet-religieuze doeleinden. En wel van twee families die niet in het dorp wonen, maar hier een buitenhuis hebben. Samen met nog een paar mensen uit een naburig dorp verzorgen zij die ene jaarlijkse eredienst. En blijkbaar maken ze zich zorgen over het gebrek aan religiositeit in het dorp.

Want uit die hoek kwam gisteren een uitnodiging tot het bijwonen van de zegening van de graven op het kerkhof door een van de vrome familievaders. Het is bij mijn weten de eerste keer dat dit gebeurt sinds ik hier woon.

De zegening zou deze morgen om negen uur plaatsvinden en voor de gelegenheid heb ik om acht uur nog gauw de blaadjes op het kerkhofpad weggeveegd. Naar de zegening ben ik niet gegaan. Ik ben wel even om de hoek gaan gluren. Om negen uur stond er welgeteld één auto bij het kerkhof. Om tien over negen reed hij weg. Het was lichtjes beginnen regenen. Misschien lag het daaraan.

DSCN5798

Wat ik zoal vind tussen de blaadjes.

Extinction 2

De beslissing om de dorpslampen ’s nachts uit te doven is inmiddels al bijna een jaar geleden genomen. Er werd voor een compromis gekozen, waar achteraf niemand tevreden over is: dertien lampen worden tijdens de nacht gedoofd, de drie lantaarns bij het gemeentehuis blijven branden. Maar er werd een elektricien aangesteld en de installatie werd aangepast. Er kwam een bord bij de ingang van het dorp met een waarschuwing voor toevallige passanten. En er werden hier en daar vlakjes fluorescerende verf aangebracht op muren, rotsen en verhoogde stoepen om ongevallen te voorkomen.

Er kwam geen officiële inhulding van de installatie en dus ook geen receptie, daarvoor ligt het onderwerp te gevoelig.
Maar alles is voorzien, alleen werkt het systeem niet. Of toch, het werkt wel, maar dan omgekeerd. De lichten zouden moet uitgaan om 22 u, maar ze beginnen dan pas te branden, en ze gaan weer uit om 6 u. Tenminste, zo was het de afgelopen dagen. Vandaag sprongen ze plots aan om 16 u. Het geraakt blijkbaar niet opgelost. Wordt vervolgd.

DSCN5779

Zandbak

Mijn perceel in de ‘jardins familiaux’ begint er al uit te zien als een permacultuurtuin. De aanhangers van permacultuur hebben het over schijnbare chaos. Dat zeg ik dan ook maar over mijn tuin, al is het vooral chaos en niet alleen schijn.

Ik lees over permacultuur op het net en in boeken, maar eigenlijk volg ik vooral mijn neus en mijn hart. Hier zijn alvast een aantal technieken die ik toepas. ‘Technieken’ dat klinkt technisch en als hard werken, maar dat is het juist niet.

1. Niet spitten. Mijn dorpsgenoten en leden van de Patate Glorieuse vonden dat de grond, die jarenlang platgetrapt is door schapen, toch minstens een keer omgespit moest worden. Maar ik vond het idee van niet-spitten best aantrekkelijk en ook goed gemotiveerd door de perma-aanhangers. Daarom ben ik maar gewoon beginnen planten in de harde grond. De laatste tijd is de grond trouwens veel zachter geworden, omdat het af en toe geregend heeft, maar ook omdat de mollen de grond gratis omwoelen. In hun ijver duwen ze wel al eens een kool of een prei omhoog, maar dat is gauw rechtgezet. Het leuke is dat ze mooie donkere, korrelige grond naar boven brengen en die gebruik ik als zaaigrond of om oneffenheden aan te vullen.

2. Onkruid mag blijven. De grond moet immers bedekt blijven. Hier en daar moet het wat ingetoomd worden en op de plekjes waar geplant of gezaaid wordt, moet het natuurlijk weg. Ik heb zelfs wat nieuw ‘onkruid’ toegevoegd: vogelmuur en wilde roquette, want het zijn goede bodembedekkers en nog lekker ook.

3. Mulchen. Van elke boswandeling breng ik wat mulch mee: dennennaalden, varens, eikenbladeren, schors. Daarmee bedek ik de aarde rond de groenten en met de stukken schors leg ik paadjes tussen de perken aan.

4. Najaarperkjes: daarin staan spruitjes, savooien, bloemkolen, snijbieten, rucola, sla, venkel, prei en selder, wat rommelig maar gezellig door elkaar.

5. Voorjaarperkjes: perceeltjes die ik heb afgedekt met karton en mulch zodat het ondergronds gedierte de grond kan klaarmaken voor de lente.

6. Tenslotte verzamel ik planten en kruiden die hier overal in het wild staan en geef ik ze een plekje in de tuin: tijm, oregano, goudsbloemen, valeriaan, vlinderlavendel.

Ik werk niet in de tuin, ik speel als een kind in een zandbak. Het is mijn dagelijkse halfuurtje mindfulness. Als er niks te doen is, ga ik gewoon kijken hoe alles groeit.
De oogst is voor later, maar ik heb toch al twee mini-courgettes en een paar blaadjes roquette gegeten.

DSCN5702

DSCN5703

DSCN5705

DSCN5708

DSCN5709

DSCN5710

Apache

Ik hou niet van telefoneren. Ik heb er geen verklaring voor, het is gewoon zo. En het wordt erger met de jaren. E-mails versturen en ontvangen vind ik wel fijn, maar daar gaat dit verhaal niet over.
Behalve mijn mobiele telefoon, waarin een Belgisch nummer en een Frans nummer zit, heb ik ook nog een satelliettelefoon. Die was inbegrepen in mijn internetverbinding. Ik bel er zelf nooit mee. Het is een vervelend toestel want de gesprekken komen met vertraging door, zodat de beller en ik soms door elkaar praten. Mogelijk heeft dit toestel mijn telefoonfobie nog verergerd.
Telefoneren in het Frans vind ik het ergst van al. In een gewone conversatie trek ik me goed uit de slag en zelfs sms’en en e-mailen gaat vlot. Maar aan de telefoon gaat het meestal mis. Ik versta de beller slecht, ik begin gegarandeerd te stotteren en ik hoor mezelf fouten maken.

De weinige mensen die mijn satellietnummer hebben zijn Nederlandstalig, vandaar dat ik, toen mijn telefoon gisteren overging, hem zonder hartkloppingen opnam. Maar voor ik er erg in had, was ik in een chaotisch Franstalig gesprek verwikkeld met een zekere Gianni. Ik kon hem heel moeilijk verstaan, hij sprak snel en ongearticuleerd en hij had het over een briefje met mijn telefoonnummer dat ik ergens achtergelaten zou hebben. Ik begreep er niets van en ik zei dat het wellicht een vergissing was, maar hij hield niet af. Ik hoorde ook een vrouwenstem naast hem die hem leek aan te moedigen. Ik probeerde meer te weten te komen, maar het enige wat ik nog kon verstaan was dat ik ‘du boulot’ voor hem zou hebben. Ik begon iets van de vasthoudendheid te begrijpen, maar ik moest hem teleurstellen. Het was een vergissing zei ik, klaar om in te leggen.
‘Maar is dit dan niet uw nummer?’ vroeg hij en hij ratelde mijn satellietnummer af.
Dat moest ik natuurlijk toegeven, anders was hij niet bij mij terecht gekomen.
‘Ik heb in ieder geval geen briefje achtergelaten,’ zei ik. Ik was trouwens een paar dagen de deur niet uit geweest, want het regende al achtenveertig uur aan een stuk.
Ik hoorde hem stilaan opgeven en haar ook. Nu de woordenstroom wat minderde, profiteerde ik ervan om het gesprek af te ronden en in te leggen.

Het was onprettig. Ik stelde mij Gianni en zijn vrouw voor met het briefje waarop mijn nummer stond dat iemand bij hen onder de deur geschoven had. Ik had er geen idee van hoe ze eruitzagen, maar ik kon de teleurstelling op hun gezichten raden.

Een paar uur later belde hij terug. Zijn vrouw was er ook weer bij. Hij stak hetzelfde verhaal af, alsof we elkaar nog niet eerder gesproken hadden. Ik herinnerde hem aan het vorige gesprek. Maar hij bleef het over dat briefje met mijn nummer hebben.
Toen vroeg hij of mijn man thuis was.
‘Ik heb geen man’, zei ik. En ik had meteen spijt dat ik dat gezegd had. Want wie was die Gianni eigenlijk? En wat voor informatie probeerde hij mij te ontfutselen?
‘Het spijt me, ik kan u niet helpen’, zei ik. En toen zei ik nog eens ‘je suis désolée’ en ik legde in.

De hele avond bleef ik aan die twee gesprekken denken, aan Gianni en zijn vrouw die hun hoop op een klusje in rook zagen opgaan omdat het nummer niet klopte. Misschien dachten ze dat ik het wel was geweest met dat briefje, maar dat ik van gedacht was veranderd en het klusje niet meer aan hen wou geven. Misschien zonnen ze nu op wraak.
Het hield me ook bezig of ik wel spijt mocht hebben van het feit dat ik gezegd had dat ik geen man heb. Was dat geen misplaatst wantrouwen? Ik werd er meer en meer onrustig van.

Rond negen uur ging de telefoon weer over. In weerwil van mijn telefoonangst, hoopte ik dat het Gianni was. Ik zou hem vragen om traag te spreken en alles nog eens met hem doornemen. Misschien was er een twijfelachtig cijfer in het nummer.

Maar het was een andere meneer. Zijn stem klonk ouder.
‘Solange?’ was alles wat hij vroeg.
‘Nee,’ zei ik, ‘Hier is geen Solange.’
Ik zei mijn naam maar niet. Hij excuseerde zich en legde in.

Had die man misschien het briefje van Gianni in handen gekregen? En dacht hij misschien dat het een streek van Solange was? In mijn hoofd ontrolde zich een Franse zwart-witfilm met een jonge Belmondo als Gianni en Jean Gabin als de laatste beller.

Op één dag had ik vier mensen leren kennen: Gianni en zijn vrouw, de oudere man en Solange. Maar meer dan vier personages in dit verhaal zullen ze niet worden, want er werd niet meer gebeld via de satelliet.

***

Vanmorgen zat er een bedelaar bij de ingang van de natuurwinkel in Prades. Voor een bedelaar zag hij er netjes gekleed en weldoorvoed uit. Maar hij zat op een muurtje met een paar muntjes voor zich uitgestald en hij sprak iedereen die passeerde buitengewoon vriendelijk aan. Achter hem zat een magere vrouw naar de grond te staren. Af en toe fluisterde ze iets in zijn oor. Ik was niet van plan om hen iets te geven. Toen ik naar binnen wou gaan, kwam er net een dorpsgenote naar buiten met een volgeladen winkelwagen. Voor we met elkaar in gesprek geraakten, ging ze naar de bedelaar en gaf hem een fles vruchtensap. Uit het contact dat ze hadden begreep ik dat ze dat hadden afgesproken: geen geld, wel iets te eten of te drinken. Ik vond dat best slim van haar.

Het paar deed me denken aan Gianni en zijn vrouw. Ik dacht erover om zijn naam te vragen. Als het nu eens Gianni was? Dan kon ik meteen de zaak rechtzetten.
Ik raapte mijn moed bijeen en vroeg hoe hij heette.
‘Apache,’ zei hij, ‘comme l’indien.’
Zijn vriendin heette Geneviève.
Het voorbeeld van mijn buurvrouw volgend vroeg ik wat ik voor hen kon meebrengen uit de winkel. De vrouw schudde haar hoofd: ‘Niets.’
Apache bestelde melk.
‘Demi-écrémé de préférence, s’il vous plait.’
Ik kocht twee dozen melk en gaf ze bij het naar buiten komen aan Geneviève, want Apache was al weg.

Op de terugweg naar huis begon ik me af te vragen of ik Gianni’s naam wel goed verstaan had. Ja, toch wel, hij had hem verschillende keren genoemd. Of zou het kunnen dat Apache de artiestennaam van Gianni was?

Veel fantasie hebben is soms lastig.

Wilskracht

Oostende, heel lang geleden

De nieuwe koningin rilde. Ze droeg een wollen mantelpakje en een Damarthemdje onder haar zijden blouse en nog had ze het koud. Haar gemaal kneep in haar hand, alsof hij wou zeggen: hou nog even vol, het duurt niet lang meer.
De man die aan het woord was, leek een grapje te maken want iedereen lachte. Dus lachte ze ook. Al begreep ze niets van wat hij vertelde want zijn woorden gingen gedeeltelijk verloren in de zeewind, en de taal die hij sprak was ze nog niet meester.
Waarom was ze toch met een koning getrouwd? En dan nog een koning van een land waar drie verschillende talen werden gesproken?
Ze wou zuchten, maar kon zich nog net beheersen. Gelukkig begon iedereen te applaudisseren. Even later wandelde ze met haar man over de dijk, terwijl de fotografen hun werk mochten doen. Hij legde zijn hand over haar schouder en wees naar een mailboot op zee. Dat zou mooie plaatjes geven. Hij praatte zachtjes op haar in. Hij was nog zo verliefd op haar dat hij raadde hoe ze zich voelde. Dan wees hij naar iets op de grond: een paar grassprietjes op het beton.
‘Kijk lieveling,’ zei hij, ‘als dat gras door beton kan groeien, kun jij ook Nederlands leren.’
Zo’n lieverdje was het dus niet, die koning.

Brussel, lang geleden

Het verhaal over het grassprietje vertelde koningin Fabiola tijdens een lunch in het koninklijk paleis in vlekkeloos Nederlands aan een groep pioniers van de basiseducatie, waar ik ook bij mocht zijn.
Ik herinner me nog goed wat we hebben gegeten. Het verhaal over het extra stuk zwartewoudtaart dat ik mij tegen de etiquetteregels liet opdienen, en waardoor de koningin verplicht was om ook nog een stuk te nemen, bespaar ik jullie.
Maar dat van dat grassprietje is me altijd bijgebleven.

Glorianes, vanmorgen

Dit is geen gras, en zelfs geen onkruid. Het groeit onder het beton door waarmee het deksel van de septische put dichtgemetseld is. Het is roquette (rucola). Sterk plantje. Het is een jonkie (erfwoordje van Ton) van een plant die voorheen in mijn vierkante plantenbak stond. Hopelijk geeft het bloemen en zaadjes voor onze nieuwe tuin.

DSCN5631