Ik hou niet van telefoneren. Ik heb er geen verklaring voor, het is gewoon zo. En het wordt erger met de jaren. E-mails versturen en ontvangen vind ik wel fijn, maar daar gaat dit verhaal niet over.
Behalve mijn mobiele telefoon, waarin een Belgisch nummer en een Frans nummer zit, heb ik ook nog een satelliettelefoon. Die was inbegrepen in mijn internetverbinding. Ik bel er zelf nooit mee. Het is een vervelend toestel want de gesprekken komen met vertraging door, zodat de beller en ik soms door elkaar praten. Mogelijk heeft dit toestel mijn telefoonfobie nog verergerd.
Telefoneren in het Frans vind ik het ergst van al. In een gewone conversatie trek ik me goed uit de slag en zelfs sms’en en e-mailen gaat vlot. Maar aan de telefoon gaat het meestal mis. Ik versta de beller slecht, ik begin gegarandeerd te stotteren en ik hoor mezelf fouten maken.

De weinige mensen die mijn satellietnummer hebben zijn Nederlandstalig, vandaar dat ik, toen mijn telefoon gisteren overging, hem zonder hartkloppingen opnam. Maar voor ik er erg in had, was ik in een chaotisch Franstalig gesprek verwikkeld met een zekere Gianni. Ik kon hem heel moeilijk verstaan, hij sprak snel en ongearticuleerd en hij had het over een briefje met mijn telefoonnummer dat ik ergens achtergelaten zou hebben. Ik begreep er niets van en ik zei dat het wellicht een vergissing was, maar hij hield niet af. Ik hoorde ook een vrouwenstem naast hem die hem leek aan te moedigen. Ik probeerde meer te weten te komen, maar het enige wat ik nog kon verstaan was dat ik ‘du boulot’ voor hem zou hebben. Ik begon iets van de vasthoudendheid te begrijpen, maar ik moest hem teleurstellen. Het was een vergissing zei ik, klaar om in te leggen.
‘Maar is dit dan niet uw nummer?’ vroeg hij en hij ratelde mijn satellietnummer af.
Dat moest ik natuurlijk toegeven, anders was hij niet bij mij terecht gekomen.
‘Ik heb in ieder geval geen briefje achtergelaten,’ zei ik. Ik was trouwens een paar dagen de deur niet uit geweest, want het regende al achtenveertig uur aan een stuk.
Ik hoorde hem stilaan opgeven en haar ook. Nu de woordenstroom wat minderde, profiteerde ik ervan om het gesprek af te ronden en in te leggen.

Het was onprettig. Ik stelde mij Gianni en zijn vrouw voor met het briefje waarop mijn nummer stond dat iemand bij hen onder de deur geschoven had. Ik had er geen idee van hoe ze eruitzagen, maar ik kon de teleurstelling op hun gezichten raden.

Een paar uur later belde hij terug. Zijn vrouw was er ook weer bij. Hij stak hetzelfde verhaal af, alsof we elkaar nog niet eerder gesproken hadden. Ik herinnerde hem aan het vorige gesprek. Maar hij bleef het over dat briefje met mijn nummer hebben.
Toen vroeg hij of mijn man thuis was.
‘Ik heb geen man’, zei ik. En ik had meteen spijt dat ik dat gezegd had. Want wie was die Gianni eigenlijk? En wat voor informatie probeerde hij mij te ontfutselen?
‘Het spijt me, ik kan u niet helpen’, zei ik. En toen zei ik nog eens ‘je suis désolée’ en ik legde in.

De hele avond bleef ik aan die twee gesprekken denken, aan Gianni en zijn vrouw die hun hoop op een klusje in rook zagen opgaan omdat het nummer niet klopte. Misschien dachten ze dat ik het wel was geweest met dat briefje, maar dat ik van gedacht was veranderd en het klusje niet meer aan hen wou geven. Misschien zonnen ze nu op wraak.
Het hield me ook bezig of ik wel spijt mocht hebben van het feit dat ik gezegd had dat ik geen man heb. Was dat geen misplaatst wantrouwen? Ik werd er meer en meer onrustig van.

Rond negen uur ging de telefoon weer over. In weerwil van mijn telefoonangst, hoopte ik dat het Gianni was. Ik zou hem vragen om traag te spreken en alles nog eens met hem doornemen. Misschien was er een twijfelachtig cijfer in het nummer.

Maar het was een andere meneer. Zijn stem klonk ouder.
‘Solange?’ was alles wat hij vroeg.
‘Nee,’ zei ik, ‘Hier is geen Solange.’
Ik zei mijn naam maar niet. Hij excuseerde zich en legde in.

Had die man misschien het briefje van Gianni in handen gekregen? En dacht hij misschien dat het een streek van Solange was? In mijn hoofd ontrolde zich een Franse zwart-witfilm met een jonge Belmondo als Gianni en Jean Gabin als de laatste beller.

Op één dag had ik vier mensen leren kennen: Gianni en zijn vrouw, de oudere man en Solange. Maar meer dan vier personages in dit verhaal zullen ze niet worden, want er werd niet meer gebeld via de satelliet.

***

Vanmorgen zat er een bedelaar bij de ingang van de natuurwinkel in Prades. Voor een bedelaar zag hij er netjes gekleed en weldoorvoed uit. Maar hij zat op een muurtje met een paar muntjes voor zich uitgestald en hij sprak iedereen die passeerde buitengewoon vriendelijk aan. Achter hem zat een magere vrouw naar de grond te staren. Af en toe fluisterde ze iets in zijn oor. Ik was niet van plan om hen iets te geven. Toen ik naar binnen wou gaan, kwam er net een dorpsgenote naar buiten met een volgeladen winkelwagen. Voor we met elkaar in gesprek geraakten, ging ze naar de bedelaar en gaf hem een fles vruchtensap. Uit het contact dat ze hadden begreep ik dat ze dat hadden afgesproken: geen geld, wel iets te eten of te drinken. Ik vond dat best slim van haar.

Het paar deed me denken aan Gianni en zijn vrouw. Ik dacht erover om zijn naam te vragen. Als het nu eens Gianni was? Dan kon ik meteen de zaak rechtzetten.
Ik raapte mijn moed bijeen en vroeg hoe hij heette.
‘Apache,’ zei hij, ‘comme l’indien.’
Zijn vriendin heette Geneviève.
Het voorbeeld van mijn buurvrouw volgend vroeg ik wat ik voor hen kon meebrengen uit de winkel. De vrouw schudde haar hoofd: ‘Niets.’
Apache bestelde melk.
‘Demi-écrémé de préférence, s’il vous plait.’
Ik kocht twee dozen melk en gaf ze bij het naar buiten komen aan Geneviève, want Apache was al weg.

Op de terugweg naar huis begon ik me af te vragen of ik Gianni’s naam wel goed verstaan had. Ja, toch wel, hij had hem verschillende keren genoemd. Of zou het kunnen dat Apache de artiestennaam van Gianni was?

Veel fantasie hebben is soms lastig.