Ruzie

Sinds ik de vogels aan de zijkant van mijn huis voeder en observeer, heb ik al heel wat bijgeleerd. Op de kennistest van de Standaard scoorde ik acht op tien. Toch niet slecht voor een beginneling? De meeste vogels die tussen de takken van de cipres heen en weer springen en aan de vetbollen snoepen ken ik nu bij naam. Er is er nog één die ik niet in De grote encyclopedie der vogels terugvind. Hij heeft een bruine vlek op zijn kop en hij gedraagt zich als een haantje.

Vanmorgen zag ik hem een koolmees van het voederbord wegjagen. Het koolmeesje liet zich niet doen en gaf nog wat weerwerk, maar bruinkopje was duidelijk de sterkste.

Ik heb hem ook al eens een roodborstje zien aanvallen. Nu zijn roodborsten ook niet van de braafsten. Want vorig jaar was het vooral het roodborstje dat de andere vogels wegjoeg van de vetbollen. Het roodborstje van dit jaar is echter een bedeesd vogeltje dat altijd alleen is. Als het al eens in het bord met ‘kruimeltjes suiker en kruimeltjes brood’ durft te pikken, komt bruinkop hem wegjagen. Hij scheert dan heel venijnig rakelings over het bord, zodat het roodborstje zich rot schrikt en bijna van het muurtje valt.

Bij zulke taferelen vraag ik mij wel eens af of ik er wel goed aan doe om ze te voederen.

Mijn vogels eten van een bord van Marjolein Bastin en hebben design-vetbollen. (Zelf eet ik van borden uit de kringloopwinkel. )

Afgesneden

Sinds onze telefooncel weggehaald werd, voel ik me afgesneden van de wereld. Dat heeft eigenlijk niets met die telefooncel te maken, maar het verdwijnen van de cabine lijkt wel symbolisch voor het wegvallen al onze communicatiekanalen.

Eerst begon het SFR-netwerk te haperen. In de vier en een half jaar dat ik hier nu woon heb ik nooit problemen met de telefoonverbinding gehad. Maar een paar maanden geleden begon ik te merken dat ik niet altijd, en vooral niet overal verbinding had. Eerst kreeg ik storingen binnenshuis. Het was plots gedaan met rondwandelen, met één hand de boeken op hun plaats duwen of de keuken opruimen en ondertussen verder babbelen in het toestel in mijn andere hand. Nee, ik moest op de oude bureaustoel, op mijn plekje voor het raam blijven zitten en vooral niet bewegen. In het begin was dat lastig, maar het wende. Een tijdje later bleek dat de momenten waarop ik binnenshuis kon bellen korter en zeldzamer werden. Als ik dringend iemand wou spreken, moest ik naar buiten gaan. Als ik geluk had, kreeg ik op het terras beneden verbinding, en als dat niet werkte, moest ik naar de moestuin. Een mens past zich aan: ik belde alleen nog als het echt nodig was en met mijn ‘intimi’ verbond ik me via whatsapp of skype.

Want toen werkte het internet nog. Sinds gisteren niet meer. Hopelijk duurt het deze keer geen twaalf dagen, want na één dag word ik al behoorlijk onrustig. Gelukkig schijnt vandaag de zon, dat geeft hoop. Ik ben namelijk klant bij een lokaal internetbedrijfje dat een antenne heeft staan op de tegenoverliggende berg. Die antenne wordt gevoed met zonne-energie. Vandaar de panne. De zon heeft al een paar dagen niet meer geschenen en er waait al een week een ijskoude wind. En net als die antenne heb ik gebrek aan licht en voel ik de jaarlijks terugkerende winterdip op de loer liggen.

Maar er zijn ook goede kanten aan het even afgesneden zijn. Gisteren heb ik mijn stoute schoenen en een dikke jas aangetrokken en ben ik onaangekondigd bij mijn favoriete dorpsgenoten binnengevallen. We hebben samen Hoegaarden gedronken bij hun splinternieuwe en van katoen gevende kachel. Daarna heb ik een paar boeken uitgelezen waarin ik halfweg was blijven steken. En nu komt het er eindelijk van om eens een wat langere blogtekst te schrijven. Elk nadeel heeft toch altijd weer een voordeel.

De zon schijnt nog steeds. Hoe lang zou het duren eer zo’n zonnebatterij weer opgeladen is?

(Als jullie dit lezen, is het probleem opgelost. Oef.)

 

Forêt comestible

Nog net voor het hier heel heftig werd, tussen de eerste sneeuwbuien door, heb ik nog gauw drie boompjes geplant: Een Conférence peer, een Reine des reinettes en een Patte de loup (een oude soort bewaarappels). Het zijn de eerste aanplantingen van mijn ‘forêt comestible’ of voedselbos. Toen ik aan de gemeenteraad permissie vroeg om op mijn stukje huurgrond bomen te planten, zei een van de raadsleden dat hij niet veel geloof hechtte aan die alternatieve systemen. Wacht maar, dacht ik, over een paar jaar zal ik eens wat laten zien …

En nu maar hopen dat mijn boompjes hier wortel willen schieten. Ik heb vandaag de ijzige wind getrotseerd en ben ze gaan groeten. Ze houden moedig stand.

Jardin privé

Het project ‘Jardins Familiaux’ is samen met het jaar 2016 ter ziele gegaan. Van de vijf percelen grond werd er maar eentje bewerkt: het mijne. Ondanks geduchte tegenstanders als slakken, dassen en everzwijnen ben ik er toch in geslaagd een aanzienlijk hoeveelheid aardappelen en tomaten te kweken. Ik heb vorig jaar ook pompoenen, courgettes, wortelen, uien, snijbiet en aardbeien van eigen kweek gegeten.

Het gemeentebestuur heeft me nu het hele perceel, hetzij 350 m2, toegewezen. Ik mag het gratis huren, maar ik moet het wel zelf netjes houden. Bon. Ik heb meteen een paar balen hooi laten leveren en ik ben al volop aan het mulchen. Nu nog de everzwijnen op afstand houden.

20170106_155941

Het vogelhuis

Sinds ik Het vogelhuis van Eva Meijer heb gelezen, kijk ik met andere ogen naar de vogels rond mijn huis. Ik was vorig jaar al begonnen met vetbollen in de kerselaar te hangen en zonnebloempitten op de vensterbank te strooien, maar dit jaar wil ik die kleine wezentjes beter leren kennen.
Omdat het nog zacht is, bied ik voorlopig enkel broodkruimels aan. En wel in een strategisch opgesteld schaaltje, waarmee ik de koolmezen en hun vriendjes uitnodig om in mijn gezichtsveld te komen ontbijten.
Dat doen ze. Maar alleen als ik niet te dicht bij het raam zit, ze zijn duidelijk nog schuw. Tegen de lente zal dat anders zijn: dan komt tenminste één koolmees op het raam tikken om te kijken of er nog lekkers komt. Diezelfde koolmees kwam trouwens een paar weken geleden al melden dat de winter eraan komt en dat het tijd is voor extra voeding.
Maar voorlopig voeren ze vooral verkenningsvluchten uit. Als ze mij zien, maken ze meteen rechtsomkeert. Soms maken ze een duikvlucht tot vlak onder de vensterbank, komen dan even boven de rand uitkijken en maken dan weer dat ze weg zijn. Alleen als ik in een hoek van de kamer blijf, durven ze zich tegoed doen aan het schaaltje broodkruimels.

Ik weet niet precies waar ze wonen, maar ze komen elke dag een paar uur spelen in de cipres waar ik op uitkijk. Tot nu tel ik drie koolmezen, een boomklever, een roodborstje en een merel.

Soms, als ik ze in de boom heen en weer zie springen, ga ik met mijn fototoestel in aanslag bij het raam zitten, maar aan dat spelletje doen ze voorlopig niet mee.
De foto’s hieronder zijn dus wat pover uitgevallen. Wie de vogels wil zien, kan er beter een vergrootglas bijnemen.

PS Met dank aan Johanna Pas van Kartonnen Dozen, die me dit boek in de handen stopte. Het boek is bij hen te koop. Volgens mij pakken ze het daar ook heel mooi in als kerstkado. Bestellen kan hier.

PS Op mijn blog Het geluk van de schrijver kun je een korte bespreking van Het vogelhuis lezen.

20161213_112651

Lok-ontbijt

20161129_101538

Boomklever inspecteert compostbak.

20161129_105440

Koolmezen in de cipres

20161205_115132

Boomklever durft het langst (3 seconden) blijven zitten als ik in de buurt ben.