Gateau

Het bloggen is er de laatste tijd wat bij ingeschoten, maar deze taart wil ik toch even laten zien. Het is een verjaardagstaart voor onze dorpsoudste en imker. Ze werd gemaakt door een andere dorpeling/creatieveling en door ons allemaal smakelijk verorberd op ons jaarlijkse kersenfeest.

DSCN6387

 

Tiny in het bos

Mijn wandeling naar het basiskamp was tevergeefs. De bende was al doorgegaan naar de hogere weiden. Jammer, ik had ze nog een aaitje willen geven.
Geen schapen dus, maar wel een everzwijn. Het kwam in lichte draf uit de tegenovergestelde richting aangelopen. Het passeerde mij zonder zelfs maar opzij te kijken. Het leek een gehaast meneertje. Ik wou nog roepen: Wacht! Ik wil een foto van je nemen voor mijn blog! Maar hij was al weg.

Tiny op de boerderij

Sinds vorige week ben ik weer van dienst op de boerderij. De lammertijd is al eind april begonnen, maar ik spring nu pas in, nu de lammetjes bijna allemaal geboren zijn en hulp bij het in toom houden van zo’n grote kudde meer dan welkom is.
Dit jaar ga ik maar twee dagen in de week, de overige dagen heeft de boerin hulp van een andere dorpsgenoot en in het weekend van haar kinderen.
Net zoals vorig jaar zijn mijn taken: papflesjes geven, ooien naar de graasweide brengen, stalvloer met stro bedekken, voederbakken schoonmaken.

Het eerste straffe stalverhaal heb ik niet zelf meegemaakt, maar van horen zeggen. Een van de lammetjes dat afgewezen werd door de moeder kreeg een jasje aan. Dat jasje was de vacht van een gestorven lammetje van wie de moeder treurde. Als de truc werkte, als de treurende moeder het weesje zou adopteren, waren ze allebei gered. Helaas pakte het niet, de wissel was net iets te laat gebeurd. Het lammetje was al een aantal uren dood voor het gevonden werd, de geur was al te sterk veranderd. Het weesje werd dan maar bij de andere potlammeren gezet en krijgt nu flesjes. De moeder is gelukkig over haar verlies heen geraakt. Eind goed, al goed. Ik vond het toch mooi geprobeerd van de boerin.

Gisteren hebben wij, dat zijn de boer, de boerin en ik, de kudde opgesplitst. De vrouwelijke lammetjes mochten met hun moeders al naar de zomerweide vertrekken. Dat is een hoger gelegen gebied waar ze meerdere weken blijven. Dat opsplitsen is geen sinecure. Het gaat als volgt: alle jonge moeders worden bijeengedreven tussen een paar dranghekken, zodat ze dicht op elkaar staan. Daartussen staan wij. We houden ons zo stil mogelijk om de schapen niet zenuwachtig te maken. De schapen dragen een label in hun oor waarop een nummer van vijf cijfers staat. De boer roept een nummer, bijvoorbeeld 400.86, dus quatre cent quatre vingt six. Dan zakken we door onze knieën en sluipen we rond tussen de schapen tot we het dier in kwestie gevonden hebben. (Ik prevelend: quatre cent quatre vingt six … quatre cent quatre vingt six … ) De gevondene wordt dan vriendelijk naar de uitgang geleid en met een zekere dwang naar de andere kant van het dranghek geduwd.
Om de bijhorende lammetjes te vinden wordt ongeveer dezelfde techniek gebruikt, maar dan moeten we nog iets dieper door de knieën gaan en een lam laat zich nog moeilijker vangen dan een ooi.
Uiteindelijk zijn we met 48 dieren naar het graasgebied getrokken. De ooien wisten de weg nog, de lammetjes maakten af en toe aanstalten om terug te keren. Straks ga ik een wandeling maken en hoop ik ze te vinden in het ‘basiskamp’, een grote weide waar ze een paar dagen blijven. Daarna trekken ze stilaan, zonder herder, zonder honden, naar nog hoger gebied om daar de zomermaanden door te brengen.

Nieuw leven 2

Deze slideshow vereist JavaScript.

Een beetje toelichting:

Op de eerste foto ligt de aanstaande moeder rechts vooraan met contracties.

Daarna heeft ze zich verplaatst en begint het persen.

Na het eerste lammetje volgt algauw een tweede. Maar terwijl het tweede nog half in haar zit, staat ze al recht en begint het eerste te likken. (De boerin is intussen even komen helpen en heeft het tweede eruit getrokken.)

Als de tweeling schoongelikt is, verhuizen ze naar een apart kamertje. Daar krabbelen de lammetjes recht en beginnen ze naar de uier te zoeken.

Pommes de terre

‘We hadden eigenlijk niet anders verwacht van onze Belge locale,’ zegt een van mijn dorpsgenoten, als ik vertel dat ik vooral veel aardappelen heb geplant.
‘Goed idee,’ zegt de taxichauffeuse die elke dag het buurmeisje komt halen en brengen. ‘Dat bereidt de grond voor op volgend jaar.’

Ze hebben allebei gelijk. Aardappelen planten leek mij de beste manier om de grond te testen en alvast te mulchen voor volgend jaar. Maar ik eet ook heel graag aardappelen, en niet alleen frieten. Ik heb wel al half beloofd dat, als de oogst lukt, ik voor het hele dorp frieten ga bakken. Maar daar zullen ze nog even op moeten wachten. Hier en daar komen de planten al piepen. Zou het woord piepers daarvan komen? Het is echt grappig om die kleine blaadjes hun kopjes door het stro te zien steken.

Ik heb verschillende soorten en op verschillende tijdstippen gepoot. De Cerisa-aardappelen die ik half februari al in mijn vierkante bak op het terras heb geplant, zijn het grootst. Verder heb ik nog Mona Lisa-, Bleu d’Artoise-, Pompadour-, Carolus-, Agria- , Jeannette- en Blanche-aardappeltjes geplant. Ze staan zowat overal. In de jardins familiaux, maar ook rond mijn huis op onofficiële plaatsen.

Hieronder een paar fotootjes van de permacultuurtuin, die er nog altijd wat chaotisch uitziet, maar toch stilaan vorm krijgt. En ook nog een kiekje van mijn kameraardappel Jeannette, van wie het twijfelachtig is of ze volgende maand aardappelen zal geven, maar intussen toch dienst doet als frêle kamerplant.

DSCN6219

 

Zonder woorden

Zo zeker als de zon opkomt
Zo zeker weet ik dat je naast me zit
Hier aan het raam
Ik zet het op een kier
Zodat we het briesje voelen
Het schrapen van de keeltjes horen
Het aarzelend inzetten van het liedje van de dag

Terwijl het donker lichter wordt
Stel ik mijn vragen
Droog ik mijn tranen
Want het antwoord is -zeg jij- in hun gezang

 

(Dit gedicht staat ook op mijn proza- en poëzieblog)

22 maart 2016

Om acht uur ging ik de deur uit, met een veel te zware tas en een zwaar hart. De roltrappen en liften aan de achterkant van het station waren wegens werken gesloten en ik moest rennen naar de voorkant. Ik was nog maar tien minuten onderweg en had al spijt van te veel boeken en chocolade in mijn reistas zonder wieltjes.
Om acht uur vijfentwintig gingen de deuren van de trein toe. Half buiten adem installeerde ik me tegenover een meisje dat de Metro las. Rechts van mij keek een man op van zijn smartphone en zei iets over Zaventem.
‘Wat zegt u?’ vroeg ik. Hij zei opnieuw iets over Zaventem, maar ik verstond hem niet. Ik keek naar de lichtkrant en vergewiste mij ervan dat ik op de trein naar Charleroi zat. ‘Deze trein stopt toch niet in Zaventem?’ vroeg ik. De man schudde zijn hoofd en boog zich terug over zijn telefoon.

Ik nam mijn boek. Ik was zo verdiept in het verhaal dat ik niet merkte dat we in Mechelen en Vilvoorde stopten. Ook in Brussel Noord, Centraal en Zuid las ik verder. Voorbij Brussel Zuid kreeg ik een berichtje van Marie, een dorpsgenote. Of ik oké was en of ik vandaag nog naar huis kwam. Ik belde Els. Terwijl ze mij het nieuws vertelde, besefte ik dat ik nog alleen in de treinwagon was.
Nog een berichtje. Nu van een vriend met wie ik toevallig tijdens mijn heenreis op de trein had gezeten. Hij kwam net van het Schumann metrostation.
Vlak voor mijn aankomst in Charleroi belde mijn zus. Daarna belde ik haar terug met de vraag of ze nieuws had van onze zus die in het Brusselse woont.

De bus naar de luchthaven kwam niet. Een meisje sprak me aan. Ze was van Singapore, was Erasmusstudente in Gent, en nu onderweg naar Griekenland. We keken naar de andere reizigers die op dezelfde bus wachtten. Toen iemand wist te vertellen dat de bus niet zou komen, verplaatste de groep zich naar de taxistandplaats. Er was maar één taxi en iedereen wou erin.

Na een tijdje kwamen er nog een paar taxi’s. Ik deelde mijn taxi met een jongen. Het meisje uit Singapore wou niet mee. Ze ging kijken of ze haar buskaartje terugbetaald kreeg. Ze heette Adora, zei ze nog.

De taxichauffeur zag er Arabisch uit.
‘C’est grave’, zei hij.
‘C’est le bordel’, zei mijn medepassagier.
‘C’est triste’, zei ik.
Op anderhalve kilometer van de luchthaven stond het verkeer stil.
‘U kunt best te voet verder gaan’, zei de taxichauffeur.
‘Mijn tas is te zwaar’, zei ik, hopend dat het verkeer weer op gang zou komen. De jongen naast mij zei dat hij mijn tas zou dragen. We stapten uit, wisselden van tas, maar zijn tas bleek al even zwaar. Hij nam ze weer van me over.
‘Het gaat wel,’ zei hij, ‘ik studeer lichamelijke opvoeding.’
Hij had erg lange benen en zette grote stappen en zelfs zonder tas kon ik hem nauwelijks bijhouden.

Tijdens het lopen sprak hij me moed in.
‘We halen het wel’, zei hij. We liepen alsof ons leven ervan afhing. Maar we waren veilig. We wilden alleen maar naar huis.
We haalden de vlucht. Hij heette James. Ik dankte James duizendmaal. Hij moest zijn flesje water afgeven bij de controle. Mijn tas werd helemaal uitgeladen. De boosdoener was een kookwekker. Ik mocht hem houden. Ik kocht een nieuw flesje water voor James.

Na mijn aankomst in Perpignan, ging ik mijn moeder bezoeken. Ze wist gelukkig nog niets, ze was niet ongerust geweest.

Daarna reed ik naar huis. Dankbaar.

De kat deed alsof ze boos was, maar daarna kroop ze op mijn schoot. We luisterden samen naar de radio. Ik dacht aan alle mensen die ik kende en ik hoopte dat iedereen veilig was. Ik dacht ook aan de mensen die ik niet kende. Hun ontreddering.

Ik ging vroeg naar bed, met een warme kruik aan mijn voeten en met De Overgave van Arthur Japin. Ik las nog een paar hoofdstukken. Over wat mensen mensen aandoen. Toen in 1836, daar in Texas. Uiteindelijk zullen ze elkaar vergeven, staat op de flap. Maar zo ver ben ik nog niet.