Sinds vorige week ben ik weer van dienst op de boerderij. De lammertijd is al eind april begonnen, maar ik spring nu pas in, nu de lammetjes bijna allemaal geboren zijn en hulp bij het in toom houden van zo’n grote kudde meer dan welkom is.
Dit jaar ga ik maar twee dagen in de week, de overige dagen heeft de boerin hulp van een andere dorpsgenoot en in het weekend van haar kinderen.
Net zoals vorig jaar zijn mijn taken: papflesjes geven, ooien naar de graasweide brengen, stalvloer met stro bedekken, voederbakken schoonmaken.

Het eerste straffe stalverhaal heb ik niet zelf meegemaakt, maar van horen zeggen. Een van de lammetjes dat afgewezen werd door de moeder kreeg een jasje aan. Dat jasje was de vacht van een gestorven lammetje van wie de moeder treurde. Als de truc werkte, als de treurende moeder het weesje zou adopteren, waren ze allebei gered. Helaas pakte het niet, de wissel was net iets te laat gebeurd. Het lammetje was al een aantal uren dood voor het gevonden werd, de geur was al te sterk veranderd. Het weesje werd dan maar bij de andere potlammeren gezet en krijgt nu flesjes. De moeder is gelukkig over haar verlies heen geraakt. Eind goed, al goed. Ik vond het toch mooi geprobeerd van de boerin.

Gisteren hebben wij, dat zijn de boer, de boerin en ik, de kudde opgesplitst. De vrouwelijke lammetjes mochten met hun moeders al naar de zomerweide vertrekken. Dat is een hoger gelegen gebied waar ze meerdere weken blijven. Dat opsplitsen is geen sinecure. Het gaat als volgt: alle jonge moeders worden bijeengedreven tussen een paar dranghekken, zodat ze dicht op elkaar staan. Daartussen staan wij. We houden ons zo stil mogelijk om de schapen niet zenuwachtig te maken. De schapen dragen een label in hun oor waarop een nummer van vijf cijfers staat. De boer roept een nummer, bijvoorbeeld 400.86, dus quatre cent quatre vingt six. Dan zakken we door onze knieën en sluipen we rond tussen de schapen tot we het dier in kwestie gevonden hebben. (Ik prevelend: quatre cent quatre vingt six … quatre cent quatre vingt six … ) De gevondene wordt dan vriendelijk naar de uitgang geleid en met een zekere dwang naar de andere kant van het dranghek geduwd.
Om de bijhorende lammetjes te vinden wordt ongeveer dezelfde techniek gebruikt, maar dan moeten we nog iets dieper door de knieën gaan en een lam laat zich nog moeilijker vangen dan een ooi.
Uiteindelijk zijn we met 48 dieren naar het graasgebied getrokken. De ooien wisten de weg nog, de lammetjes maakten af en toe aanstalten om terug te keren. Straks ga ik een wandeling maken en hoop ik ze te vinden in het ‘basiskamp’, een grote weide waar ze een paar dagen blijven. Daarna trekken ze stilaan, zonder herder, zonder honden, naar nog hoger gebied om daar de zomermaanden door te brengen.