Plukken

Het woord plukken is fout. Paddenstoelen mag je niet plukken. Een paddenstoel die je wil opeten of eh wil bestuderen, moet je met een mes afsnijden. Zo blijven de zwamvlokken in de grond en kan de paddenstoel zich voortzetten in de bodem.

Dat heb ik geleerd van de Yves en Guillaume, die mijn kachel plaatsten.

Ik zie andere mensen in het dorp plukken in plaats van snijden en ik houd mijn mond. Wie ben ik om ze de les te spellen. Een groentje, ja.

Zelf heb ik me een mooi knipmes aangeschaft en zonder mijn mes ga ik niet meer op pad. Weidechampignons en parasolzwammen herken ik nu van ver. En ook de kleine weidekringzwammetjes. Cariolets heten ze hier. Die mag je niet plukken, maar ook niet snijden. Je moet ze afpitsen met je vingernagels. En alleen maar de kleintjes, waarvan de hoedjes nog bijna gesloten zijn.

Dat zijn er dus drie die in de Guide Hachette 100 especes staan. Nog 97 soorten te gaan.

En dan bakken in boter met een heel klein beetje look en peterselie.

Fluweelboleet

De weg is belangrijker dan het doel, houd ik mezelf voor als ik weer vruchteloos op zoek ben naar die ene cèpe de bordeaux die ik zo graag zou vinden. En het is waar dat ik van alles vind, behalve het enige echte eekhoorntjesbrood.

Eerst vond ik de sneeuw op het massief van de Canigou. Ik weet niet welke pics ik vanuit het dorp kan zien. Het zijn er twee en de ene is wat dikker besneeuwd dan de andere.

Daarna vond ik weer nieuwe riviertjes met watervalletjes, die moeilijk over te steken waren, maar ik word al wat behendiger.

En aan de overkant veel interessante paddenstoelen, die ik niet durfde plukken en die zich moeilijk lieten fotograferen. Ik vind ze ook niet terug in mijn Guide Hachette Nature met 100 espèces.

Uiteindelijk vond ik een boleet, die ze hier ook cèpe noemen. Volgens het boekje is het een bolet subtomenteux, een fluweelboleet. Ik heb hem voorzichtig afgesneden en daarna had ik er een beetje spijt van want hoewel hij eetbaar is, ga ik hem toch niet opeten.

Baantje

Of het zinvol is, is misschien de vraag. Nuttig is het wel. Sinds vandaag ben ik hondenoppas bij de buren. Mijn loon zal een assortiment kruiden uit Madagaskar zijn. Zaterdag word ik betaald.

De pupillen zijn twee perfect getrainde herdershonden en een ongedisciplineerde oude boxer. Vanmorgen wilden ze niet naar buiten. Het regende te hard. Alleen Alice stak een poot over de dorpel. Maar Alice en ik zijn al wat langer bevriend en wellicht wou ze mij niet teleurstellen.

Om drie uur hield het eindelijk op met regenen. Nu wilden ze wel mee. We liepen tot het parc à moutons. Verder mocht niet. De schapen hebben herfstvakantie en hoeven niet gedreven te worden.

Alice wou het nog even bij de koeien proberen, maar ik riep haar terug. Wondere dieren, Speed, Taïs en Alice. Ze kunnen lezen en ze verstaan zelfs Nederlands.

Het gedroomde leven

Koude berglucht samen met warme zon doet wonderen. Mijn tristesse was met de wind verdwenen. Ik had zin om aan de slag te gaan en haalde de houtopslagplaats leeg. De goede stronken bracht ik naar boven. De stukken die te lang of te dik zijn hield ik apart. Mijn buurman zal ze kleiner maken met zijn zingende zaag. Het sprokkelhout brak ik in korte stukken en stapelde ik in bakken en manden. Daarna ging ik appels rapen en schaapjes fotograferen.

Is het dit nu? vroeg ik me af.  Ja, dit is het, antwoordde ik. Hier heb ik altijd van gedroomd.

Nu nog iets van werk. Iets zinvols, iets nuttigs. Maar dat komt ook nog. Ik voel het.

Op de terugweg van het bos, kwam ik twee Denen tegen. Ze wonen al 10 jaar in Eus. En ja, ze zijn content. Maar ze spreken nog maar een klein beetje Frans.

Daarna ontmoette ik de nieuwe dorpelingen. Ongeveer even nieuw als ik. Een jong paar, vol plannen. Het meisje had het erg koud en zag er wat belabberd uit. Je hebt zo van die dagen. Ook in het gedroomde leven.

Stil

Vannacht is de wind gevallen. Hij kwam met een klap naast mijn bed terecht want ik werd er wakker van. Plots was het oorverdovend stil.

En vanmorgen was het wennen aan het stilstaande landschap. Mijn brievenbus, die nochtans verzwaard is met een paar stukken rots, lag in de tuin bij de buren. Ik zette haar weer in het rijtje en stak er nog een steen bij.

Op het gemeenteplein vond ik een plekje in de zon om op de factrice te wachten. Ze nam mijn brief voor de Belgische ambassade mee en wat kleingeld voor postzegels.

De hemel is helderblauw. Het wordt een prachtige dag.

Rouw

Verhuizen is ingrijpend voor elk levend wezen. Ik denk aan Fleur, het meisje dat een week geleden in onze familie werd geboren. Hoe schokkend moet dat niet zijn, vanuit die warme buik van haar moeder naar onze koude wereld. En ik denk aan Zohra, de kat die moeite heeft om zich aan te passen aan het nieuwe appartement waar ze nu woont. En mijn ouders in het rusthuis, die nog elke week vragen wanneer ze mee naar huis kunnen. Ik denk aan mensen die onvrijwillig van huis en van land veranderden. Of erger nog, ergens opgesloten zitten.

Dat gaat allemaal door mij heen. En dat ik daaraan denk, betekent dat mijn verhuis mij meer aangrijpt dan ik verwacht had.

Niet dat ik heimwee heb, of naar A zou willen terugkeren. Integendeel, ik ben het liefst op de berg en ik vind het prima dat de buren brood en groenten meebrengen, zodat ik niet naar het dal hoef.  Maar ik voel iets dat niet beredeneerbaar is, een gevoel van ontworteling en afgesneden zijn.

Hoe groot mijn aanpassingswil en –vermogen ook is, het gaat verder dan dat. Het gaat verder dan mijn lichaam, dat onrustig slaapt en weinig eetlust heeft. Het gaat verder dan mijn wil om positief te denken en overal de goede kanten te zien.

Het is iets wezenlijks. Het is rouw.

En het enige wat ik kan doen, is het ondergaan en observeren, in de wetenschap dat het een fase is. Ook dit gaat voorbij.

 

Hout

De dorpsmensen hadden mij gewaarschuwd: zorg dat je voldoende hout stockeert. Het kan hier koud zijn.

Ik dacht dat het wel mee zou vallen. Kou, dat kennen we toch? Ik kreeg een voorraadje van de buurman en ik dacht dat ik daar wel een tijdje mee verder kon. Maar de stapel slinkt, de buurman is op reis en ik bel vergeefs naar een leverancier van hout in het dal.

Dan maar het bos in, en hout sprokkelen zoals oude vrouwtjes in sprookjes.

De andere buren hebben mij misschien gezien, zo in het bos. Of op de terugweg met een rugzak en een boodschappentas waar takken uitsteken. Want de buurman van links en dochtertje Natacha komen vragen of ik het wel warm genoeg krijg en of ik nog hout genoeg heb.

Ik vertel dat de leverancier maar niet terugbelt en dat ik nog genoeg heb voor een dag of drie. Hij begint meteen te bellen naar een andere dorpsbewoner die zijn hout ook in Prades koopt. Ja, het is het goede nummer, maar ze hebben het vast druk nu, met die plotse kou.

Bel morgenvroeg meteen weer, zegt de buurman. Hij komt wel. Niet alle bedrijven zijn bereid om de berg op te rijden, maar deze wel. En als je hout op is, kom er dan maar bij ons halen.

Ik krijg een krop in de keel. Ik weet nog dat ik hem een beetje stuurs en zelfs onvriendelijk vond, de eerste keer dat ik hem zag.

Hier in het dorp helpen we elkaar, zegt hij. Als het zo koud is als vandaag, hebben we het allemaal koud. Maar als we kunnen, helpen we elkaar.

Hij voelt even aan het venster. Je hebt nog geluk, zegt hij. Bij ons tocht het nog veel meer.

Ik heb geluk. Dat vind ik ook.

Storm

Voor ik hier kwam wonen, vroeg ik me wel eens af of ik niet bang zou zijn, ’s nachts. Maar ik ben tot nu nog nooit bang geweest. De eerste keer dat er wind rond het huis woei, vond ik het fijn om daar naar te luisteren en te merken hoe stevig de muren en het dak waren. Ik voelde mij beschut door het kerkgebouw achter mijn huis en de rots waarop het dorp gebouwd is.

Het waait hier wel vaker, dat wist ik. Maar vannacht stormde het en het stormt nog steeds. Ik sliep onrustig en elke keer als ik wakker werd, verbaasde ik mij erover dat het nog steeds even hard woei en vroeg ik me af waar die energieke wind vandaan bleef komen. Vanmorgen vroeg vloog het raam van de woonkamer open. Vanavond moet ik de luiken sluiten, leer ik daaruit. Die zijn er niet voor niets.

Het luik aan de binnenkant van het keukenraam had ik wel dichtgedaan. Het viel mij plots op hoe oud het was. Het is waarschijnlijk het oudste stukje schrijnwerkerij in dit huis. Volgens de buren zijn onze huisjes zeshonderd jaar oud. Ik wou dat ik mij in de tijd kon verplaatsen om te zien hoe de mensen hier leefden.

De wind is ijskoud en er ligt een dun laagje korrelsneeuw. Ik denk dat ik vandaag maar bij de kachel blijf.