Goudkoorts

Mensen zijn hebberig en ik ben een mens. Als ik in een bos vol prachtige paddenstoelen sta, voel ik de hebberigheid in mij omhoog kruipen. Ik moet dan even gaan zitten en nadenken. Hoeveel kan ik er vandaag en morgen opeten? Wie kan ik eventueel een plezier doen met een mandje eekhoorntjesbrood of heksenboleet? Mijn buurvrouw durft alleen gekochte paddenstoelen eten en mijn buurman gaat zelf op jacht. En als je op de grond gaat zitten in een bos, dan zie je ze pas echt. Ze zijn overal dit jaar.

DSCN4737

Pest

Het moet zoiets als Ebola geweest zijn. De helft van het dorp stierf. Wie overleefde, verhuisde naar de andere kant van het dorp. In de omgeving zijn nog dorpen waar in de achttiende of de negentiende eeuw hetzelfde gebeurde. De gemeente verplaatste zich naar de andere kant van de berg, soms amper een kilometer verder. Mogelijk uit bijgeloof. De ziekte was een vloek of een kwade geest.

Van het oude dorp blijven nog wat muren over van huizen die dicht op elkaar gebouwd waren. De plek heeft iets magisch. Ik wou dat ik een teletijdmachine had.

DSCN4695 DSCN4699 DSCN4700

La Patrie

Sinds vorige week hebben we nu ook een monument voor de gesneuvelden in de eerste wereldoorlog. Daarvoor werd door de jachtvereniging een lauze, een grote platte steen, van de berg naar het dorp gebracht. Er werd een ijzeren plaat met de namen van de gesneuvelden van het dorp besteld, en de steen en de plaat werden tegen de gevel van het gemeentehuis bevestigd door de vader van de tweede adjoint. De burgemeester en de tweede adjoint werkten het geheel af met vernis en een roestwerende laag.

Het monument moest ook officieel ingewijd worden. Daarvoor kwamen heel wat prominenten, een groep vaandeldragers en een speciaal daartoe opgerichte organisatie de berg op. Het was een kleurrijke bedoening, met uiteraard veel rood, wit en blauw, en hoeden, petten en witte handschoenen. Er werd een gedicht voorgelezen, drie mensen mochten een discours houden, en de namen van de gesneuvelden werden voorgelezen, telkens gevolgd door de uitroep ‘Mort Pour La France!’ Daarna werd de Marseillaise gespeeld.

Het viel me op dat die door iedereen meegezongen werd, maar niet uit volle borst. Door sommigen zelfs met samengeknepen lippen. Hoe dat juist zit, daar probeer ik nog achter te komen.

DSCN4645 DSCN4655 DSCN4678

Amitié

Het was weer tijd voor een bezoekje aan madame X, de bejaarde maar nog straffe Catalaanse die me twee jaar geleden voor gek verklaarde omdat ik in Glorianes kwam wonen. Elke eerste dag van de maand ging ik op haar verzoek de huur van mijn garagebox in Vinça contant betalen. Met de tijd werd ze milder, ze stelde vragen over het leven in het dorp, ze overlaadde mij met boeken voor onze bibliotheek en ze liet zich zelfs een keer de berg opbrengen door haar broer. Ze eiste niet langer dat ik haar in de ogen keek als ik met haar sprak. Ik bleef het toch proberen hoewel dat niet altijd gemakkelijk is want haar ene oog kijkt meestal de andere kant op.

Het was de laatste dag van de vorige maand. Ik had haar laten weten dat ik de garage niet langer nodig had en ik hoopte dat ze intussen een nieuwe huurder had gevonden. Dat was blijkbaar geen probleem geweest. Ze schreef een cheque uit – dat doen ze hier nog- ter waarde van de waarborg die ik had betaald. Haar man zat in zijn rolstoel aan dezelfde tafel, hij vulde een kruiswoordraadsel in.

‘Christine’, zei ze terwijl ze de cheque naar mij toe schoof, ‘Als je ooit iets of iemand nodig hebt, als we ooit iets voor je kunnen doen, weet dan dat wij hier voor jou zijn. Wij kennen het hier.’ Haar man richtte zich op van zijn puzzelboekje en knikte instemmend. ‘Sachez, que vous avez des amis ici.’

Twee oude mensen, hij in een rolstoel, zij slecht ter been en halfblind, en dat boden ze me uitdrukkelijk aan: hun vriendschap en hulp. Het enige wat ik voor hen heb gedaan is naar hun verhalen luisteren.

Fa Temps

Primeur in het dorp: het eerste culturele evenement van onze vereniging. ‘Glorianes Fa Temps’ is Catalaans en wil zoveel zeggen als ‘Glorianes Toen’. Een vertelnamiddag met drie mensen die een deel van hun jeugd in Glorianes doorbrachten in de tijd dat de mensen hier nog leefden van veeteelt en landbouw. Met meer dan honderd waren ze toen. Pas in 1968 werd er elektriciteit naar het dorp gebracht. Te laat, want de leegloop was al begonnen. In de jaren ’80 woonde er één man en één vrouw in het dorp. En niet eens samen.

Nog een primeur: de eerste keer dat het mooie kerkje gebruikt werd voor iets anders dan de jaarlijkse mis.

Daarna hebben we het clublokaal van onze vereniging ingewijd: een ruime zaal op het gelijkvloers van het gemeentehuis, helemaal zoals het hoort ingericht met oude zetels waar je diep inzakt, versleten stoelen, twee koelkasten en een verouderde muziekinstallatie. We hebben nog lang nagepraat, een beetje teveel gedronken en nog mooie plannen gemaakt.

DSCN4647

Village

Gisteren liep ik weer eens verloren, de tweede keer al deze week. Niet echt verloren, want ik zie altijd wel waar ik heen wil, maar soms vind ik geen comfortabel pad.

Het pad waarlangs ik de berg opging, was wel comfortabel en vooral heel mooi. Het was omrand met bloeiende heide en het uitzicht was in alle richtingen fabuleus. Boven op de kam, maakte ik de verkeerde keuze. Ik had wat verder moeten doorlopen tot ik een goed pad naar beneden vond. In plaats daarvan dacht ik een kortere weg te nemen, die al snel heel lastig werd en uitkwam in een oud en zeer hellend eikenbos, zodat ik min of meer van boom tot boom naar beneden moest slingeren.

Toen het wat platter werd, zag ik ruïnes tussen de bomen. Meer dan één, en ik besefte dat ik in het vroegere Glorianes beland was. Zelfs de kerk schijnt er nog te staan. Ik nam de tijd niet om te exploreren, want ik was al bijna twee uur onderweg en ik kreeg honger.

Bovendien hoorde ik schoten. Ik trok gauw een fluo hesje aan en ik haastte me naar beneden. Tijdens het afdalen kwam ik nog twee jachthonden tegen, die er wat zielig uitzagen. Ik denk dat ze hun baasjes kwijt waren. Dat gebeurt soms. Meestal vinden ze elkaar wel weer.

Nu zit ik nog altijd aan dat dorp te denken. Ik probeer het me voor te stellen met mensen in en voor hun huizen, met rokende schouwen en ezels en schapen in de stallen. Ik ga er zeker nog eens terug als er geen jacht is.

DSCN4632 DSCN4633 DSCN4634

Tentative

Er zijn mensen die ’s nachts werken. Pascal bijvoorbeeld, de bewaker van de parkeergarage en de buitenparking van het station van Perpignan. Toen ik na middernacht bij zijn wachthokje kwam aankloppen, beloofde hij dat hij meteen naar de buitenparking zou komen. Ik moest wel maken dat ik uit het winkelcentrum van El Centro del Mon wegkwam, want zo meteen zouden alle deuren sluiten. Te laat: toen ik terug wou keren waren alle toegangsdeuren naar het station en dus ook de weg naar de buitenparking afgesloten. Er zat niets anders op dan de uitgang voor de auto’s te nemen en in het donker rond het station te lopen. Dat moest er nog bij komen. Gelukkig was er nog een veiligheidsagent die een poort voor me opende en met me meeliep naar de parking. Daar stond ik dan in het griezelige donker, te wachten op de bewaker, bij mijn auto die tijdens mijn vakantie het voorwerp was geweest van een tentative de vol. Het raampje aan de zijkant achteraan was geforceerd, het dashboard was opengebroken, de bedrading losgetrokken. De stukken en ook de stang waarmee ze ingebroken hadden, lagen nog op de zetel. Mogelijk werden de dieven betrapt en sloegen ze op de vlucht. 

‘Waarom mijn klein, oud, derdehands autootje?’ vroeg ik aan de bewaker.

‘Juist daarom,’ zei hij, ‘die zijn gemakkelijker te stelen.’

Pascal gaf toe dat de buitenparking niet bewaakt wordt en dat ik op geen enkele manier via mijn parkeerticket (65 euro voor een maand) verzekerd ben. Maar hij bleef bij mij, deed alle telefoontjes naar de politie (die zich voor zoiets niet wou verplaatsen) en naar mijn eigen verzekering. De verzekering stuurde een sleepwagen, maar de man van de sleepdienst vond dat mijn auto nog berijdbaar was en dat ik er beter zelf mee naar huis reed. En zo kwam ik dan toch nog om halfdrie ’s morgens in Glorianes aan, moe, kwaad, hongerig en ook nog snipverkouden, dankzij de airco op de tgv.

In Glorianes is geen politiebureau of gendarmerie. Op het internet vond ik een gendarmerie in Vinça, maar die bleek in de praktijk niet meer te bestaan. In Ille-sûr-Tet was wel een politiebureau, ’s morgens enkel open tussen 8 en 9. Iemand toonde me de weg naar de gendarmerie, waar ik om 12 u aanbelde en te horen kreeg dat ze net tot 14 u zouden sluiten. De gendarme die mij aan de parlofoon had, kreeg blijkbaar medelijden en liet me toch binnen.

Er zijn mensen die hun werk graag doen. Laurent bijvoorbeeld, de ‘officier de police judiciaire’, die mijn pv met plezier opstelde en vingerafdrukken op mijn auto liet nemen. En dat allemaal tijdens de heilige lunch- en siëstatijd. ‘Allez hop,’ zei hij een paar keer tijdens het invullen van de documenten, ‘c’est parti’. Mensen als Laurent en Pascal maken mijn pechweek dan toch weer een beetje goed.