Er zijn mensen die ’s nachts werken. Pascal bijvoorbeeld, de bewaker van de parkeergarage en de buitenparking van het station van Perpignan. Toen ik na middernacht bij zijn wachthokje kwam aankloppen, beloofde hij dat hij meteen naar de buitenparking zou komen. Ik moest wel maken dat ik uit het winkelcentrum van El Centro del Mon wegkwam, want zo meteen zouden alle deuren sluiten. Te laat: toen ik terug wou keren waren alle toegangsdeuren naar het station en dus ook de weg naar de buitenparking afgesloten. Er zat niets anders op dan de uitgang voor de auto’s te nemen en in het donker rond het station te lopen. Dat moest er nog bij komen. Gelukkig was er nog een veiligheidsagent die een poort voor me opende en met me meeliep naar de parking. Daar stond ik dan in het griezelige donker, te wachten op de bewaker, bij mijn auto die tijdens mijn vakantie het voorwerp was geweest van een tentative de vol. Het raampje aan de zijkant achteraan was geforceerd, het dashboard was opengebroken, de bedrading losgetrokken. De stukken en ook de stang waarmee ze ingebroken hadden, lagen nog op de zetel. Mogelijk werden de dieven betrapt en sloegen ze op de vlucht. 

‘Waarom mijn klein, oud, derdehands autootje?’ vroeg ik aan de bewaker.

‘Juist daarom,’ zei hij, ‘die zijn gemakkelijker te stelen.’

Pascal gaf toe dat de buitenparking niet bewaakt wordt en dat ik op geen enkele manier via mijn parkeerticket (65 euro voor een maand) verzekerd ben. Maar hij bleef bij mij, deed alle telefoontjes naar de politie (die zich voor zoiets niet wou verplaatsen) en naar mijn eigen verzekering. De verzekering stuurde een sleepwagen, maar de man van de sleepdienst vond dat mijn auto nog berijdbaar was en dat ik er beter zelf mee naar huis reed. En zo kwam ik dan toch nog om halfdrie ’s morgens in Glorianes aan, moe, kwaad, hongerig en ook nog snipverkouden, dankzij de airco op de tgv.

In Glorianes is geen politiebureau of gendarmerie. Op het internet vond ik een gendarmerie in Vinça, maar die bleek in de praktijk niet meer te bestaan. In Ille-sûr-Tet was wel een politiebureau, ’s morgens enkel open tussen 8 en 9. Iemand toonde me de weg naar de gendarmerie, waar ik om 12 u aanbelde en te horen kreeg dat ze net tot 14 u zouden sluiten. De gendarme die mij aan de parlofoon had, kreeg blijkbaar medelijden en liet me toch binnen.

Er zijn mensen die hun werk graag doen. Laurent bijvoorbeeld, de ‘officier de police judiciaire’, die mijn pv met plezier opstelde en vingerafdrukken op mijn auto liet nemen. En dat allemaal tijdens de heilige lunch- en siëstatijd. ‘Allez hop,’ zei hij een paar keer tijdens het invullen van de documenten, ‘c’est parti’. Mensen als Laurent en Pascal maken mijn pechweek dan toch weer een beetje goed.