Dorpsfeest

Vorige zaterdag vierden we het feest van Glorianes. Vooraf poetsten wij, de leden van de onlangs opgerichte vereniging, de kerk en de bron. En zelf deed ik er ook nog de telefooncel bij, tot grote verwondering van mijn dorpsgenoten. Zo probeer ik te integreren, maar het lijkt soms een omgekeerd effect te hebben.

Op de foto’s zien we onder meer de burgemeester (in korte broek) met een stofzuiger in de weer en zijn vrouw die met de ragebol in de hand een paar bezoekers aan de praat houdt. Later het feestje op het gemeenteplein, met bandje en een moedig danspaar. Jammer dat ik geen foto van het rijkelijke buffet maakte. Want daar stond iedereen.

DSCN3642 DSCN3652 DSCN3646 DSCN3659 DSCN3666 DSCN3667 DSCN3669

Lam

Mijn voornemen om vegetariër te worden, heb ik voorlopig opgeborgen. Nochtans was ik al aardig op weg, want het helpt wel als je zelf wat groenten uit de grond krijgt. Maar ik mocht al een paar keer proeven van Gloriaanse lamskoteletjes en die smaakten naar nog. En toen ik een sms-je kreeg met het bericht: “Le nouveau agneau de Glorianes est arrivé!”, heb ik nog een paar dagen getwijfeld, maar uiteindelijk toch een kleine diepvriezer gekocht. Daar zit nu een half lam in. Tot voor kort dartelde het samen met zijn andere helft nog op de hellingen. Over een paar weken is er ook kalf.

DSCN3413

Citroenenjaar

Dit jaar wordt geen tomatenjaar, zuchtte mijn buurvrouw onlangs. Ik dacht aan de overvloed die ze vorige herfst hadden en waarin ik had mogen delen. De tomaten werden zelfs niet allemaal geplukt. In december hingen er nog aan de staken. Mijn eigen zaailingen hebben het ook niet gehaald. Het zijn kleine plantjes gebleven en ze bloeien niet. De planten die ik daarom kocht, groeien vooral in de hoogte, maar ze hebben maar een paar bloemen. Tot nu zie ik nog maar twee tomaten. Als de hoogte van de planten nog wat hoop gaf, wordt die teniet gedaan door de bio-tuinvrouw die me een paar sterke planten verkocht.Het wordt geen tomatenjaar, zei ze, mijn eigen planten groeien in de hoogte, maar er komen geen vruchten aan.

Wie weet wordt het een paddenstoelenjaar. Volgens mijnheer C. kun je ze sommige jaren gewoon bijeen harken. Dat wordt toch nog afwachten.

Ik denk wel dat het een citroenenjaar wordt. Mijn boompje doet het goed. De bloesem ruikt heerlijk en er komen al kleine citroentjes aan.

DSCN3585

DSCN3598

Russula

Wat heb ik toch met paddenstoelen? Laat ik proberen om het uit te leggen. In de eerste plaats eet ik heel graag paddenstoelen. Een gewone weidechampignon, een handvol weidekringzwammen gebakken in boter, met wat pasta en het is al een beetje feest. De lekkerste die ik tot nu toe at, was eekhoorntjesbrood. Maar er zijn er die ik nog niet geproefd heb, die naar het schijnt nog lekkerder zijn. Zo hoop ik volgende herfst een keizeramaniet te vinden. Hoop ik. Want paddenstoelen dat is zoeken, vinden, laten gevonden worden. Een thema dat me al een jaar of twee bezig houdt en dat op één of andere manier heel concreet wordt als het over paddenstoelen gaat. Een filosoof zou hier een half boek over kunnen schrijven, maar ik beperk me tot wat observeren en verwonderen. Wie zoekt, die vindt, is maar een half verhaal. Want vindt de zoeker wel wat hij zocht? Je vindt wel altijd iets. Ik ben al lang opgehouden met naar het bos te gaan en op zoek te gaan naar fluweelpootjes of morieljes. Het spel heet nu: Ik ga naar het bos en ik breng wat mee. Zo heb ik in mijn rugzakje altijd wel een mes en wat papieren zakjes mee, en een opvouwbaar gevlochten mandje uit Kenia voor je-weet-maar-nooit. Soms raap ik wat stokjes, denappels, knip ik wat tijm en een enkele keer kan ik mijn mandje uitvouwen om daar voorzichtig een paar paddenstoelen in te leggen.

Vanmorgen heb ik het “rivierenpad” gevolgd, een smal pad dat halverwege de hellingen loopt en een paar bergriviertjes oversteekt. Het was ongewoon warm, om 7 u had ik al 20° op het terras. De lucht voelde droog aan en na een uurtje klauteren, had ik nog niet één paddenstoeltje gezien, zelfs geen stuifzwam, en ik besloot dat de weersomstandigheden nog niet ideaal waren. Dus ging ik maar wat stokjes rapen, aanmaakhout komt altijd van pas. En toen rook ik paddenstoel. Sommigen hebben een oog voor paddenstoelen, anderen een neus. Ik wisselde van bril –want mijn ogen zijn niet echt een hulp- en ik vond meteen een tijgeramaniet, een soort die ik al vaker heb gezien, maar die dodelijk giftig is. Ik keek verder, want waar één paddenstoel staat, staan er meestal meer. Tot mijn grote vreugde vond ik vier russula’s en met het boekje erbij (dat ik ook in mijn rugzakje heb), bleken het regenboogrussula’s te zijn, en “bon comestible”. Een beetje gulzig nam ik ze alle vier mee en thuis determineerde ik ze voor de zekerheid nog een keer met mijn wat grotere en dikkere paddenstoelenboeken. Ik mocht gerust zijn: alle kenmerken klopten en de veerkracht van de plaatjes was het beste bewijs, want enig in zijn soort. Ze waren wel wat droog en daarom twijfelde ik. Zou ik niet beter wachten tot ik wat jongere exemplaren vind? Ik sneed ze doormidden en hoefde niet langer te twijfelen: de wormpjes waren me voor geweest. Op de composthoop dan maar. Wie weet brengen de sporen nog kleintjes voort.

En eigenlijk was ik niet eens teleurgesteld. Het plezier van iets te vinden dat ik niet eens had gezocht en dus ook niet had verwacht, smaakte evengoed. En het idee dat ik weer een nieuwe soort ken, maakt me ook blij.

DSCN2609

Wegdoen

Versleten regenjassen aan een staande kapstok. Een potje met muntstukjes en haarspelden. Een rieten mand voor oud papier en eentje voor de flessen. De kleverige frietketel en het kapotte wafelijzer. Geen bord of kopje waar geen barst in is. Honderd verschillende glazen. Wasspelden in de zakken van een schortje. Vijftig verschillende tafellakens. Het gebloemde eetservies van Mamà. Waarvan nog twee en een gebarsten kopje van de vierentwintig. Twaalf dozen met kaartjes en brieven, en een stapel fotoalbums. Kasten vol boeken en laden vol videocassettes. De snek-kandelaar uit Noorwegen, van Nonkel Marcel. Doeken, overtrekken, spreien, dekens en tapijten. Honderd paar flanellen lakens. De voorgangers van strijkijzers, broodroosters en koptelefoons. En de lege dozen van de laatste nieuwe. Muffe zakdoeken en kousen met gaten. Badmatten die naar kattenpis ruiken en handdoeken met bleekwatervlekken. Honderdduizend cadeautjes, door iedereen meegebracht, van lange en korte reizen. Lijstjes met foto’s van mensen en vogels.

En in de tuin: verroest gereedschap, transistors en claxons (om de vogels uit de kerselaars te jagen) en een berg gerecycleerde afval.

Wie wat bewaart, heeft wat, zei Ton. Mijn vader dacht dat waarschijnlijk ook. En op zolder was veel plaats.

We hebben slikkend weggegooid en weggegeven.

En zelf nog een klein beetje bewaard.