Gratitude attitude

In de nieuwjaarsperiode van 2015 stuurde ik een wens de wereld in, die ik ik elke jaar zou willen herhalen, en misschien zelfs elke dag aan iedereen:

Wat ik alle mensen wens
Mijzelf inbegrepen

Sterke benen
Een helder hoofd
Een kalm hart

Zuiver water uit de kraan
Alle dagen eten
Warme kleren

Een verend bed
Genoeg dekens
Licht en vuur

Oog voor de wereld
Mildheid voor de mensen
Dagelijkse scheppingsdrang

Ik vermoed dat ik me in 2014 bewust werd van mijn welvaart en dat ik dat wilde delen. Een tijdje later merkte ik in de media meer en meer aandacht voor dankbaarheid, het was een trend die graag volgde. Ik bestelde zelfs het Dankboek van De Correspondent en noteerde gedurende een paar weken elke dag drie dingen waarvoor ik dankbaar was. Ik zeg nog steeds elke avond een soort dankwoordje voor ik in slaap val.

Maar het woord dankbaarheid vond ik niet ideaal. Het suggereert namelijk dat iets of iemand je iets geeft waarvoor je dan dankbaarheid kan voelen. Maar wie is die iets of iemand als je niet gelooft in goden of bovennatuurlijke krachten?

In veel gevallen kun je je dankbaarheid wel uiten aan iemand die iets voor je doet, of die gewoon vriendelijk of lief voor je is. Iemand doet de deur voor je open, of geeft je een glas water, of luistert naar je als je je verhaal kwijt wilt.

In mijn avonddankwoordje richt ik mijn dankbaarheid soms naar de mensen die ooit mijn huisje bouwden en zij die het later restaureerden en naar alle mensen die voor mijn bed gezorgd hebben: zij die het kader hebben gemaakt, de matras hebben ontworpen of vervaardigd, de lakens hebben genaaid enz.

Ik las ooit een verhaal over een man die een tocht ondernam om alle mensen die er mee voor zorgden dat hij ‘s morgens koffie bij het ontbijt had, persoonlijk te gaan bedanken. Ik geloof dat hij een jaar onderweg was.

Maar voor sommige dingen kun je de weldoener niet achterhalen. Soms heb je gewoon geluk, mazzel, chance.

Voor dat soort dingen vind ik het woord dankbaarheid minder geschikt. Mijn zus en ik hebben vanmorgen naar een alternatief gezocht. We vertelden elkaar hoe blij we zijn dat we in België werden geboren. Wat een enorme voorsprong ons dat ene feit gegeven heeft tegenover mensen die bijvoorbeeld in India werden geboren.

We zijn blij, maar ook het woord ‘blijdschap’ is niet toereikend. Voorlopig hou ik het bij het woord gratitude dat in meerdere talen bestaat en in het Nederlands ook niet misstaat. Het lijkt ook een beetje op attitude en die twee woorden gaan mooi samen. Gratitude in je denken en in je woordenschat opnemen is een attitude aannemen. Namelijk jezelf er voortdurend aan herinneren dat niet alles vanzelfsprekend is. In India hebben heel wat mensen:

Geen zuiver water uit de kraan

Niet alle dagen eten

Soms geen warme kleren.

Het helpt niet om ons daar slecht over te voelen. Maar gratitude attitude helpt wel. Als we ons bewust willen blijven zijn van hoe goed we het wel hebben, dan kijk je met andere ogen naar zij die minder meevallers in hun leven hebben. En de rest volgt vanzelf. Een beetje vriendelijkheid kost niets. Een beetje geld delen voelen we niet eens. En vele beetjes kunnen een groot verschil maken voor mensen die het met weinig moeten doen.

De gasramp van 1984 heeft de toekomst van verschillende generaties mensen uit Bhopal volledig verknald. Mensen verloren niet alleen hun geliefden. Zij die overleefden moesten verder met akelige ziektes en beperkingen. Er worden nog steeds kinderen met afwijkingen geboren.

Met 15 euro krijgt een kind een maand lang spraaktherapie. Meer voorbeelden: https://www.bhopal.org/donate/

De afdeling gynecologie, van de kliniek voor de gasrampslachtoffers, opgericht met de steun van de Franse journalist Dominique Lapierre, de auteur van o.a. City Of Joy en Five Past Midnight in Bhopal.

Belle comme…

Het nieuwe jaar is voor mij begonnen met een schijnbaar banaal, maar toch erg lief compliment. Net als vorig jaar was ik op nieuwjaarsdag uitgenodigd bij dorpsgenoten. Voor de gelegenheid trok ik een goudkleurige trui aan, een opzichtig kledingstuk dat ik nooit van mijn leven gekocht zou hebben als ik me niet in een zwak moment had laten overhalen door een getalenteerde verkoopster. Ik kocht de trui in de winter van 2018 en ik durf hem alleen in de kerst- en nieuwjaarsperiode dragen. Het grappige is dat ik er overal complimentjes over krijg. Kassiersters in de supermarkt, de verkoopster in de bakkerij, de postbediende, ze vragen allemaal waar ik die trui vandaan heb en ze zeggen ook nog eens dat hij mij heel goed staat. Ik moet bekennen dat dit me enigszins over mijn gène helpt en dat ik het zelfs leuk vind om op die manier aangesproken te worden.

Omdat de feesttijd naar het einde toe begint te bollen, trok ik de glittertrui gisteren nog eens aan. Ik verwachtte wel iets van commentaar, maar het compliment dat ik kreeg verraste me toch.

‘Mais regarde-là!’ riep buurvrouw Josette uit, ‘elle est belle comme un camion!’

Toen ze mijn verbaasde blik zag, verzekerde ze me dat de uitdrukking ‘belle/beau comme un camion’ echt bestaat.  Josette is op andere momenten ook taalkundige en mijn lerares Frans.

Ik geloofde haar, maar ik ben het toch nog even gaan opzoeken. En jawel, verschillende bronnen vermelden het ontstaan van de uitdrukking in het midden van de twintigste eeuw.

De uitdrukking heeft zich intussen in mijn taalgevoelig hoofd genesteld. Vanmorgen heb ik het eerste brood van het nieuwe jaar gebakken. Het is ‘beau comme un camion.’

En laat ik jullie nu allemaal een prachtig nieuw jaar wensen:

une belle année, belle comme un camion!

img_3052

Foto: Nabat Art Gallery – Folk Truck Art From Pakistan

 

 

En op algemeen verzoek:

 

 

20191225_102940

Stroom

Vanmorgen viel de stroom uit. Dat gebeurt hier vaker, zeker als het onweert. Maar nu was het een aangekondigde onderbreking. De aankondiging was ik vergeten, maar toen het licht uitging herinnerde ik het mij. Ze was per brief en ook nog eens per e-mail gekomen.

De onderbreking begon later dan er in de brief stond en ik veronderstelde dat ze niet langer zou duren dan vermeld. Ik keek naar mijn to-dolijstje en zocht naar iets waar ik geen elektriciteit voor nodig had.

Ik breide een paar rijen aan een wintertrui met dikke priemen, ruimde de woonkamer op en ging tenslotte onder het dakraam zitten, waar genoeg licht was om te schrijven.

Terwijl ik met een potlood in een gelijnd schrift letters tekende, viel het mij plots op hoe stil het in huis was. Geen ruis in de computer, geen gezoem van de koelkast, alleen het tikken van de klok en het fluiten buiten. En hoe zacht het licht.

Ik hoopte dat de mannen of vrouwen van de elektriciteitsmaatschappij nog wat tijd nodig hadden en ik nam me voor om later, als er weer stroom zou zijn, af en toe alles uit te zetten.

Maar toen het licht aansprong, lag mijn vinger binnen een paar seconden op de aan-uitknop van mijn computer. En nu heb ik heimwee naar dat uurtje zonder.

Verslaafd

Het is halfzeven. Over een klein uurtje gaat het donker over in licht en ik heb me voorgenomen om deze ochtend niet te gaan wandelen. Ik wil namelijk de draft voor dit bericht schrijven, maar ik weet niet of ik op mijn stoel zal kunnen blijven zitten. Ik ben namelijk verslaafd. Aan wandelen.

Het is een paar maanden geleden begonnen. Ik wandelde eerder al graag, blijkbaar had ik aanleg. En toen ik na lang zoeken een kinesitherapeute vond die me van mijn chronische rugpijn afhielp, hielp ze me meteen ook aan een nieuwe verslaving: ze raadde me aan om dagelijks een half uurtje stevig te gaan wandelen.

Dat ben ik beginnen doen en het hielp, samen met de behandeling, een intensieve manier van stretchen. Ik loop en zit nu met rechte rug en ik houd nog ongeveer vijf procent over van de chronische pijn die ik drie jaar lang dagelijks meesleepte.

Ik wandel elke ochtend, weer of geen weer. Zo gauw het buiten licht wordt, schiet ik mijn wandelkleren en -schoenen aan en ga ik de deur uit. In de zomer is dat soms al om halfzes. Nu zitten we aan halfacht. Ik kies dan naargelang het weer en de rest van mijn dagprogramma een van mijn drie trajecten: ik heb er eentje van twintig minuten, een van drie kwartier en een van een uur.

Als ik ’s morgens om een of andere reden niet heb gewandeld, dan doe ik het in de loop van de dag of ’s avonds. Dikwijls ga ik twee keer per dag. Soms heb ik zin in een derde keer, maar ik probeer het niet uit de hand te laten lopen.

Van elke tocht breng ik iets mee naar huis. Dat kunnen appels of noten zijn, paddenstoelen, takjes tijm of munt, denappels om de kachel aan te steken of afgevallen takken om te hakselen. Of soms alleen maar een idee, dat ik dan het liefst meteen uitvoer of anders noteer.

Ik kom ook elke dag dieren tegen: de dorpskatten, een slang of een pad op de straat, ritselende vogels in de struiken, schapen, koeien, een haas, een vos, wegvluchtende herten, gemzen of everzwijnen.

Vorige zondag kwam ik een mens tegen. Ze liep in pyjama met haar hond langs het twintigminutentraject. Ik herkende haar, het was Michèle, een vriendin van onze burgemeester. Ze vertelde dat ze tijdelijk bij Céline logeerde omdat ze geen huis meer had. Ze had alles weggedaan want ze vertrok de volgende dag voor onbepaalde tijd naar Martinique. Haar relatie was op de klippen gelopen, ze had haar werk opgezegd en ze wilde doen waar ze al lang van droomde: alles achterlaten en opnieuw beginnen. Ze vroeg of ik geen hinder had ondervonden van het luidruchtige afscheidsfeestje dat ze de avond tevoren hadden gehouden. Niets gehoord, zei ik. En of ik het pad kende dat een lus maakt, vroeg ze, want dat had ze als kind samen met Céline gelopen. Zeker, zei ik, en ik veranderde mijn twintigminutenplan in een tocht van een uur. Michèle, in pyjama, en hond Nora gingen mee. Onderweg vertelde ze haar plannen: ze is verpleegster en ze wil daar werk zoeken, misschien eerst vrijwilligerswerk.

Van deze wandeling nam ik alleen de herinnering aan Michèle en Nora mee naar huis. En het voornemen om te blijven wandelen, ook als ik op reis ben. Want in de steden zijn geen bossen, maar wel straten en parken, en ook dieren en mensen.

20191005_082849

Grens

De beste manier om je jong te blijven voelen: je omringen met vinnige grijsaards. Dat heb ik vandaag gedaan en meteen ook een nieuwe grens verkend: een wandeling van 13 km met 650 m hoogte verschil. De lengte was geen probleem, een hoogteverschil van 650 m is de voorlopige grens. Meer dan dat kan ik nog niet aan. Let op het woordje ‘nog’.

De rechtstaande dame in het roze heet Maggy en is 83 jaar. Tijdens de afdaling kon ik haar nauwelijks volgen. Ik heb haar stiekem gekozen als lichtend voorbeeld.

 

Drempels

Eind 2018 heb ik een paar drempels genomen. Niets spectaculairs, het olympisch zwembad van Perpignan en de cinéma van Prades, maar toch spannend en plezierig genoeg om me voor te nemen om dat vaker te doen.

En ik kan tevreden terugkijken op januari: Ik ben voor de eerste keer naar het Théatre de l’Archipel in Perpignan geweest, ik heb me aangesloten bij een wandelclub en ik heb een blovel opgestart.

De blovel was het spannendste. Ik heb me geëngageerd om ongeveer drie keer per week een bericht te posten en het verhaal binnen een paar maanden af te ronden, en tot nu ben ik op schema.

De dansvoorstelling was een makkie want ik werd meegevraagd door een dorpsgenote. Ik hoefde er geen seconde over na te denken want het was een klassieker van Anne-Teresa De Keersmaeker, Rosas Danst Rosas, die overigens zeer in de smaak viel bij het publiek. Ikke fier.

De drempel naar de wandelclub lag iets hoger. Ik ontmoette de leden van Caminem toen ze een tocht in Glorianes maakten. Het leek me wel wat. Het waren mensen van mijn generatie en ouder. Dat moest ik toch aankunnen? Maar toen ik het programma kreeg moest ik toch even slikken. Elke donderdag wordt er een wandeling georganiseerd van gemiddeld 15 km, met hoogteverschillen tussen de 300 en de 800 meter. De eerste wandeling heb ik meegedaan, ik had anderhalve dag nodig om te recupereren. Drie weken later ben ik opnieuw meegegaan, het ging al iets beter. Iemand van de groep vertelde me dat de gemiddelde leeftijd van de deelnemers 69 jaar is. Ik ben dus een van de jongsten. Sinds ik dat weet, kan ik het niet meer maken om nog flauw te doen. Twee keer per maand moet lukken.

Tegen de volgende wandeling wordt overigens van mij verwacht dat ik het clublied mee kan zingen. Ik zal maar alvast beginnen oefenen.

Titre : Le “marchant” de bonne heure

Je suis le randonneur, qui marche de bonn’heure,
J’ai plein de longs chemins, parcourus de bon coeur.
Vous me verrez passer, au cours de mes randos,
Passer d’un pas léger, avec mon sac à dos.

J’ai les quatre saisons, pour aller à mon gré
Voir les paysages, que Natur’a offert.
Des hautes montagnes, le printemps ou l’été ;
Des collin’et la mer, l’automne ou l’hiver.

Refrain (2 fois):

Voilà un vrai bonheur : marcher à Caminem,
Avec des randonneus’et randonneurs que j’aim’.

(Pour s’entraîner sur la musique originale, il suffira d’écouter l’original sur https://www.youtube.com/watch?v=2uwkapU_LwQ)

20190131_134723

 

Monsieur Joly

Hij loopt met korte pasjes door de gang, een boekentas in de hand of onder zijn arm geklemd. Zijn korte lichaam is recht, alleen zijn schouders zijn gebogen. Zijn haar is donkergrijs, en plat tegen zijn hoofd gekamd.

‘Hij kwam naar me toe,’ zei mijn moeder.
‘Vous êtes encore plus belle, comme ça,’ had hij gezegd, nadat ze een goedaardig gezwelletje van haar neus had laten verwijderen.

Ik was er niet bij, ik stelde het me voor. Mijn moeder en mijnheer Joly tegen over elkaar in de gang, haar looprekje tussen hen in. Mijn moeder wat schaapachtig knikkend en dan makend dat ze wegkwam. Mijnheer Joly die haar teder nakijkt.

Ze vertelde het lichtjes geamuseerd en misschien ook wel geflatteerd. Ik probeerde haar lachje te lezen, maar ik kreeg er geen hoogte van.

***

Mijnheer Joly is de weg kwijt. In zijn kamer wordt de vloerbedekking vernieuwd en hij kan maar niet wennen aan zijn tijdelijk verblijf in een andere kamer. Hij dwaalt door de gang zonder boekentas. Af en toe kijkt hij schichtig de kamer van mijn moeder in.

Ik ga naar hem toe.
‘Comment va-t-elle ?’ vraagt hij.
‘Elle est très fatiguée,’ zeg ik.
‘Mais, ça va s’arranger, non ?’ Hij kijkt me recht aan.
Ik schud langzaam mijn hoofd.
‘C’est la fin!’ roept hij uit.
Hij pakt even mijn hand vast, draait zich om en loopt de verkeerde richting uit, naar zijn tijdelijk onbewoonbare kamer. Zijn schouders schokken.

Een paar dagen later ga ik het hem zeggen.
Zijn neus wordt rood, hij haalt een witte zakdoek uit zijn broekzak, dept zijn ogen, poetst zijn bril.
‘Elle était adorable ! J’aimais tellement votre maman…’
Hij draait zich om en gaat zijn kamer in. Die is inmiddels klaar, ik ben blij dat hij weer in zijn vertrouwde omgeving kan zijn.

Ze zouden een mooi paar geweest zijn, mijn moeder en mijnheer Joly.

 

 

(Dit verhaal staat ook op mijn Proza- & Poëzie-blog.)