Citroenenjaar

Dit jaar wordt geen tomatenjaar, zuchtte mijn buurvrouw onlangs. Ik dacht aan de overvloed die ze vorige herfst hadden en waarin ik had mogen delen. De tomaten werden zelfs niet allemaal geplukt. In december hingen er nog aan de staken. Mijn eigen zaailingen hebben het ook niet gehaald. Het zijn kleine plantjes gebleven en ze bloeien niet. De planten die ik daarom kocht, groeien vooral in de hoogte, maar ze hebben maar een paar bloemen. Tot nu zie ik nog maar twee tomaten. Als de hoogte van de planten nog wat hoop gaf, wordt die teniet gedaan door de bio-tuinvrouw die me een paar sterke planten verkocht.Het wordt geen tomatenjaar, zei ze, mijn eigen planten groeien in de hoogte, maar er komen geen vruchten aan.

Wie weet wordt het een paddenstoelenjaar. Volgens mijnheer C. kun je ze sommige jaren gewoon bijeen harken. Dat wordt toch nog afwachten.

Ik denk wel dat het een citroenenjaar wordt. Mijn boompje doet het goed. De bloesem ruikt heerlijk en er komen al kleine citroentjes aan.

DSCN3585

DSCN3598

Russula

Wat heb ik toch met paddenstoelen? Laat ik proberen om het uit te leggen. In de eerste plaats eet ik heel graag paddenstoelen. Een gewone weidechampignon, een handvol weidekringzwammen gebakken in boter, met wat pasta en het is al een beetje feest. De lekkerste die ik tot nu toe at, was eekhoorntjesbrood. Maar er zijn er die ik nog niet geproefd heb, die naar het schijnt nog lekkerder zijn. Zo hoop ik volgende herfst een keizeramaniet te vinden. Hoop ik. Want paddenstoelen dat is zoeken, vinden, laten gevonden worden. Een thema dat me al een jaar of twee bezig houdt en dat op één of andere manier heel concreet wordt als het over paddenstoelen gaat. Een filosoof zou hier een half boek over kunnen schrijven, maar ik beperk me tot wat observeren en verwonderen. Wie zoekt, die vindt, is maar een half verhaal. Want vindt de zoeker wel wat hij zocht? Je vindt wel altijd iets. Ik ben al lang opgehouden met naar het bos te gaan en op zoek te gaan naar fluweelpootjes of morieljes. Het spel heet nu: Ik ga naar het bos en ik breng wat mee. Zo heb ik in mijn rugzakje altijd wel een mes en wat papieren zakjes mee, en een opvouwbaar gevlochten mandje uit Kenia voor je-weet-maar-nooit. Soms raap ik wat stokjes, denappels, knip ik wat tijm en een enkele keer kan ik mijn mandje uitvouwen om daar voorzichtig een paar paddenstoelen in te leggen.

Vanmorgen heb ik het “rivierenpad” gevolgd, een smal pad dat halverwege de hellingen loopt en een paar bergriviertjes oversteekt. Het was ongewoon warm, om 7 u had ik al 20° op het terras. De lucht voelde droog aan en na een uurtje klauteren, had ik nog niet één paddenstoeltje gezien, zelfs geen stuifzwam, en ik besloot dat de weersomstandigheden nog niet ideaal waren. Dus ging ik maar wat stokjes rapen, aanmaakhout komt altijd van pas. En toen rook ik paddenstoel. Sommigen hebben een oog voor paddenstoelen, anderen een neus. Ik wisselde van bril –want mijn ogen zijn niet echt een hulp- en ik vond meteen een tijgeramaniet, een soort die ik al vaker heb gezien, maar die dodelijk giftig is. Ik keek verder, want waar één paddenstoel staat, staan er meestal meer. Tot mijn grote vreugde vond ik vier russula’s en met het boekje erbij (dat ik ook in mijn rugzakje heb), bleken het regenboogrussula’s te zijn, en “bon comestible”. Een beetje gulzig nam ik ze alle vier mee en thuis determineerde ik ze voor de zekerheid nog een keer met mijn wat grotere en dikkere paddenstoelenboeken. Ik mocht gerust zijn: alle kenmerken klopten en de veerkracht van de plaatjes was het beste bewijs, want enig in zijn soort. Ze waren wel wat droog en daarom twijfelde ik. Zou ik niet beter wachten tot ik wat jongere exemplaren vind? Ik sneed ze doormidden en hoefde niet langer te twijfelen: de wormpjes waren me voor geweest. Op de composthoop dan maar. Wie weet brengen de sporen nog kleintjes voort.

En eigenlijk was ik niet eens teleurgesteld. Het plezier van iets te vinden dat ik niet eens had gezocht en dus ook niet had verwacht, smaakte evengoed. En het idee dat ik weer een nieuwe soort ken, maakt me ook blij.

DSCN2609

Wegdoen

Versleten regenjassen aan een staande kapstok. Een potje met muntstukjes en haarspelden. Een rieten mand voor oud papier en eentje voor de flessen. De kleverige frietketel en het kapotte wafelijzer. Geen bord of kopje waar geen barst in is. Honderd verschillende glazen. Wasspelden in de zakken van een schortje. Vijftig verschillende tafellakens. Het gebloemde eetservies van Mamà. Waarvan nog twee en een gebarsten kopje van de vierentwintig. Twaalf dozen met kaartjes en brieven, en een stapel fotoalbums. Kasten vol boeken en laden vol videocassettes. De snek-kandelaar uit Noorwegen, van Nonkel Marcel. Doeken, overtrekken, spreien, dekens en tapijten. Honderd paar flanellen lakens. De voorgangers van strijkijzers, broodroosters en koptelefoons. En de lege dozen van de laatste nieuwe. Muffe zakdoeken en kousen met gaten. Badmatten die naar kattenpis ruiken en handdoeken met bleekwatervlekken. Honderdduizend cadeautjes, door iedereen meegebracht, van lange en korte reizen. Lijstjes met foto’s van mensen en vogels.

En in de tuin: verroest gereedschap, transistors en claxons (om de vogels uit de kerselaars te jagen) en een berg gerecycleerde afval.

Wie wat bewaart, heeft wat, zei Ton. Mijn vader dacht dat waarschijnlijk ook. En op zolder was veel plaats.

We hebben slikkend weggegooid en weggegeven.

En zelf nog een klein beetje bewaard.

 

Groen

Vandaag had ik een sombere dag met hier en daar een lichtpuntje. Als het grauw weer is, ligt Perpignan er maar vuil bij. Geen stad waar je vrolijk wordt. En in het rusthuis was het al niet veel beter. Daar is het dan wel heel netjes, maar ik kan het maar niet laten om me mezelf over x aantal jaren in zo’n omgeving voor te stellen. Mijn moeder laat het gelukkig niet aan haar hart komen. Als kersverse weduwe doet ze het verbazend goed. Ze is blij met haar nieuwe kamer, ze toont belangstelling voor haar kinderen en ze is zelfs bereid om af en toe in het salon “tussen de oudjes” te gaan zitten.

Toen ik naar huis reed, regende het en de berg lag in een dikke mist. Maar kijk, na regen komt zonneschijn. De zon nodigde uit tot een inspectieronde in de tuin. De tomatenplantjes hebben het zwaar te verduren gehad, maar ik spreek ze toe, vertel ze dat ze van goede afkomst zijn en dat ik hoge verwachtingen heb. Ik geef ze nog wat extra steunaarde en hoop maar dat de koude wind wat achterwege blijft. De groene groentjes doen het net als het gras en de wilde bloemen juist heel goed. Morgen een slaatje van zelfgekweekte roquette en radijsjes … het geluk kan soms in een klein groen hoekje zitten.

DSCN3382 DSCN3399

DSCN3397

Professor

Toen ik vanavond thuiskwam, mijn auto vol spullen uit een veel te grote winkel in het veel te verre Montpellier, kwam er een man naar mij toe gelopen. Ik wist meteen dat het geen Glorianenc was. Ik ken ze intussen allemaal. Hij zag er niet gevaarlijk uit, dus glimlachte ik hem vriendelijk toe. Ik stond wel open voor een gesprek want behalve met de kassierster van het warenhuis, had ik de hele dag nog geen woord gewisseld. Hij kwam foto’s nemen van de kerk. Ze lag er mooi bij, zo in de avondzon. Prachtig, zei hij, dit is echt-echt Romaans. En het is hier zo mooi. Ik zwol een beetje en liet de gevel van mijn huis zien, met de broodoven en de publieke achtertuin, die er in de oranje zon bijzonder romantisch uitzag.

Hij vroeg hoe lang ik hier al woonde. Tien maanden, zei ik. En of ik dit huis gekocht had. Ik knikte. Daar moet je wel gek voor zijn, antwoordde hij. Ik zag meteen af van het idee om hem een glas water aan te bieden.

Ik laadde mijn boodschappen uit en liet hem de kerk fotograferen. Wat later kwam hij mij zijn kaartje brengen. Het bleek een schrijver en een doctor in de wetenschappen te zijn, die zich toelegt op de “etnologie van de technieken”. Vandaar dat hij vooral het ijzerwerk aan de kerk kwam fotograferen.

Hij vroeg wat ik deed. Eindredactie, zei ik en ook een beetje schrijven, om maar iets te noemen. Hij wees naar het e-mailadres op het kaartje. Stuur me eens een verhaal, zei hij.

Tja, ik denk niet dat hij Nederlands leest.

DSCN2130