Women With Weels

Het was vrijdag 7 februari, een paar minuten voor middernacht, toen ik in New Delhi aankwam. En het was tien jaar geleden dat ik in India was. In die tien jaar waren er een paar akelige nieuwsberichten over India gepasseerd, en hoe graag ik mijn zus, die een groot deel van het jaar in Bhopal woont, ook wilde gaan bezoeken, ik zag er een beetje tegenop. Ik was bang geworden om in mijn eentje in India te reizen.

Het was nacht en ik zou mijn zus ontmoeten in een luchthavenhotel, en vandaar zouden we samen verder reizen. De reis van Perpignan, over Barcelona en Munchen, naar New Delhi was vlot verlopen, maar dat ene kleine stukje van de aankomsthal naar het hotel baarde me zorgen.

‘Er kan je niets gebeuren,’ zei mijn zus, ‘neem een prepaid cab, dan kunnen ze je al niet oplichten en de ritten worden geregistreerd.’ Ik geloofde haar, dat het veilig was, maar angst is een raar beestje dat niet voor rede vatbaar is.

Op de valreep stuurde ze mij nog een artikel op de website van The Indian EXPRESS met als titel: Delhi-airport has an all women cab service now. Ik vond er de website van de Women With Weels en probeerde een rit te boeken, maar het was te laat om een antwoord te verwachten. Ik vertrok dan maar zonder reservatie, met het voornemen mijn angst de baas te blijven en me met gespeelde zelfzekerheid door de mensenmassa in de luchthaven te werken.

‘Laat in ieder geval niemand je bagage van je overnemen,’ whatsappte mijn zus nog. Tja.

Oké, ik was op alles voorbereid. Ik marcheerde naar de uitgang en negeerde elk aanbod voor hulp om mijn koffer te dragen of een taxi te zoeken. Prepaid taxi was het toverwoord en de wegwijzers waren gelukkig tweetalig èn duidelijk. In de verte zag ik de stand van Mega Cabs en daarnaast – halleluja!-  de stand van Women With Weels.

Opgetogen sprak ik de receptionist/dispatcher aan en in no time had ik een ticket vast en werd ik meegetroond naar een auto waarvan ik het merk niet meteen kon achterhalen, en werd ik voorgesteld aan de chauffeur, een wat frêle uitziende jonge vrouw. Ze bleek nog niet lang in dienst te zijn en had wat moeite om het hotel in de Aerocity te vinden, maar ik voelde me helemaal op mijn gemak. Mijn angst lag in een hoekje van de taxi weg te smelten onder de warme lucht van New Delhi en mijn blijdschap dat ik de Women With Weels gevonden had. Een halfuurtje later viel ik mijn zus om de hals.

Het is erg jammer dat dit soort initiatieven nodig zijn, maar het is een begin van verandering. Het soort verandering waarin ik absoluut wil geloven. Ik was nog graag een keer teruggekeerd naar de stand van WWW voor een gesprekje en wat meer foto’s, maar voorlopig moet ik het hiermee doen:

 

Een bezoekje aan hun website is de moeite waard: http://sakhaconsultingwings.com

“Safety and comfort

With cars equipped with GPS and panic button, our drivers are also trained to ensure your safety. Our drivers undergo rigorous self-defence and other related training to tackle any situation. When you choose a Sakha cab for your children or elderly, or you go to your own office or simply travel around the city, you are choosing a comfortable and stress-free ride for yourself and your loved ones.”

Iqbals familieverhalen

In december 1984 woonde ik in Halle bij Brussel. Mijn zus, Elisabeth, en haar Indiase man, Iqbal, woonden in Merchtem. Zij hoorden het nieuws over de ramp in Bhopal via radio en tv. Iqbal begon meteen doodongerust zijn familie te bellen, maar er was geen doorkomen aan, de lijnen waren overbelast. Pas uren later kon hij een ver familielid bereiken die hem verzekerde dat iedereen veilig was. De meesten waren naar de familieboerderij op het platteland gevlucht.

Samen met Iqbal haalden wij opgelucht adem en volgden verder het nieuws. Het klonk allemaal verschrikkelijk, maar in ‘onze’ familie was iedereen gered. De nieuwsberichten over Bhopal namen na een tijdje af in dramagehalte, duur en frequentie. Het leven ging verder. Voor ons toch.

Pas onlangs hoorde ik het verhaal over Iqbals vader, die kort na de ramp met een motorfiets over een hobbelige weg van het dorp naar de stad reed om naar achtergebleven familieleden te gaan zoeken. De rit moet minstens vijf à zes uur geduurd hebben. (Wij legden een paar dagen geleden dezelfde weg met de auto af, over een inmiddels gedeeltelijk geasfalteerde baan in twee en een half uur.)

Toen hij aankwam in de stad dacht hij dat Qayamat, de ‘dag des oordeels’ aangebroken was. Mensen en dieren (de koeien, geiten en honden die hier gewoon op straat lopen) lagen dood in de straten. De overlevenden waren al begonnen met de lijken te verbranden. Overal stonden lange rijen mensen met ernstige oogletsels of acute longaaandoeningen aan te schuiven voor eerste hulp.

Intussen sprak ik met Sarah, een nichtje in Iqbals erg grote familie. Ze heeft net haar studie biotechnologie afgerond en droomt ervan om in Duitsland immunologie te gaan studeren. Zij vertelde me dat haar grootvader haar verteld had hoe hij zand had opgegooid om te zien vanwaar de wind kwam, want hij wilde in de tegengestelde richting vluchten. Zijn vrouw weigerde het huis te verlaten. ‘Als ik moet sterven, sterf ik liever thuis,’ had ze gezegd. Ze sloten de luiken en wachtten af. En dat was hun redding, want heel wat mensen kwamen juist tijdens hun vlucht in aanraking met het gas.

Iqbals familie woont in een hoger gelegen en min of meer comfortabele (naar Indiase normen) wijk van de stad. De meeste slachtoffers vielen in de krottenwijken rond de fabrieken van Union Carbide. Zij hadden geen deuren, geen luiken in hun huizen. Zij konden zich niet afschermen en stierven ter plaatse of in hun vlucht.

Er zijn nog steeds verschillende grote krottenwijken in de stad. Daar wonen de kinderen en kleinkinderen van de slachtoffers. De kans op een leven buiten de slums is sowieso al heel klein, voor wie chronisch ziek is of een beperking heeft, is die kans nul.

Misschien zijn we individueel niet bij machte om een arme uit de sloppenwijk te halen en een nieuw leven te geven. Maar we kunnen wel de hulpverleners helpen om het lijden en ongemak van slachtoffers en kinderen van slachtoffers te verzachten. Dat is het minste dat we kunnen doen. Vele beetjes helpen. De verschillende mogelijkheden om een eenmalige of een maandelijkse kleine bijdrage te storten vind je hier: https://www.bhopal.org/donate/

Gratitude attitude

In de nieuwjaarsperiode van 2015 stuurde ik een wens de wereld in, die ik ik elke jaar zou willen herhalen, en misschien zelfs elke dag aan iedereen:

Wat ik alle mensen wens
Mijzelf inbegrepen

Sterke benen
Een helder hoofd
Een kalm hart

Zuiver water uit de kraan
Alle dagen eten
Warme kleren

Een verend bed
Genoeg dekens
Licht en vuur

Oog voor de wereld
Mildheid voor de mensen
Dagelijkse scheppingsdrang

Ik vermoed dat ik me in 2014 bewust werd van mijn welvaart en dat ik dat wilde delen. Een tijdje later merkte ik in de media meer en meer aandacht voor dankbaarheid, het was een trend die graag volgde. Ik bestelde zelfs het Dankboek van De Correspondent en noteerde gedurende een paar weken elke dag drie dingen waarvoor ik dankbaar was. Ik zeg nog steeds elke avond een soort dankwoordje voor ik in slaap val.

Maar het woord dankbaarheid vond ik niet ideaal. Het suggereert namelijk dat iets of iemand je iets geeft waarvoor je dan dankbaarheid kan voelen. Maar wie is die iets of iemand als je niet gelooft in goden of bovennatuurlijke krachten?

In veel gevallen kun je je dankbaarheid wel uiten aan iemand die iets voor je doet, of die gewoon vriendelijk of lief voor je is. Iemand doet de deur voor je open, of geeft je een glas water, of luistert naar je als je je verhaal kwijt wilt.

In mijn avonddankwoordje richt ik mijn dankbaarheid soms naar de mensen die ooit mijn huisje bouwden en zij die het later restaureerden en naar alle mensen die voor mijn bed gezorgd hebben: zij die het kader hebben gemaakt, de matras hebben ontworpen of vervaardigd, de lakens hebben genaaid enz.

Ik las ooit een verhaal over een man die een tocht ondernam om alle mensen die er mee voor zorgden dat hij ‘s morgens koffie bij het ontbijt had, persoonlijk te gaan bedanken. Ik geloof dat hij een jaar onderweg was.

Maar voor sommige dingen kun je de weldoener niet achterhalen. Soms heb je gewoon geluk, mazzel, chance.

Voor dat soort dingen vind ik het woord dankbaarheid minder geschikt. Mijn zus en ik hebben vanmorgen naar een alternatief gezocht. We vertelden elkaar hoe blij we zijn dat we in België werden geboren. Wat een enorme voorsprong ons dat ene feit gegeven heeft tegenover mensen die bijvoorbeeld in India werden geboren.

We zijn blij, maar ook het woord ‘blijdschap’ is niet toereikend. Voorlopig hou ik het bij het woord gratitude dat in meerdere talen bestaat en in het Nederlands ook niet misstaat. Het lijkt ook een beetje op attitude en die twee woorden gaan mooi samen. Gratitude in je denken en in je woordenschat opnemen is een attitude aannemen. Namelijk jezelf er voortdurend aan herinneren dat niet alles vanzelfsprekend is. In India hebben heel wat mensen:

Geen zuiver water uit de kraan

Niet alle dagen eten

Soms geen warme kleren.

Het helpt niet om ons daar slecht over te voelen. Maar gratitude attitude helpt wel. Als we ons bewust willen blijven zijn van hoe goed we het wel hebben, dan kijk je met andere ogen naar zij die minder meevallers in hun leven hebben. En de rest volgt vanzelf. Een beetje vriendelijkheid kost niets. Een beetje geld delen voelen we niet eens. En vele beetjes kunnen een groot verschil maken voor mensen die het met weinig moeten doen.

De gasramp van 1984 heeft de toekomst van verschillende generaties mensen uit Bhopal volledig verknald. Mensen verloren niet alleen hun geliefden. Zij die overleefden moesten verder met akelige ziektes en beperkingen. Er worden nog steeds kinderen met afwijkingen geboren.

Met 15 euro krijgt een kind een maand lang spraaktherapie. Meer voorbeelden: https://www.bhopal.org/donate/

De afdeling gynecologie, van de kliniek voor de gasrampslachtoffers, opgericht met de steun van de Franse journalist Dominique Lapierre, de auteur van o.a. City Of Joy en Five Past Midnight in Bhopal.

Belle comme…

Het nieuwe jaar is voor mij begonnen met een schijnbaar banaal, maar toch erg lief compliment. Net als vorig jaar was ik op nieuwjaarsdag uitgenodigd bij dorpsgenoten. Voor de gelegenheid trok ik een goudkleurige trui aan, een opzichtig kledingstuk dat ik nooit van mijn leven gekocht zou hebben als ik me niet in een zwak moment had laten overhalen door een getalenteerde verkoopster. Ik kocht de trui in de winter van 2018 en ik durf hem alleen in de kerst- en nieuwjaarsperiode dragen. Het grappige is dat ik er overal complimentjes over krijg. Kassiersters in de supermarkt, de verkoopster in de bakkerij, de postbediende, ze vragen allemaal waar ik die trui vandaan heb en ze zeggen ook nog eens dat hij mij heel goed staat. Ik moet bekennen dat dit me enigszins over mijn gène helpt en dat ik het zelfs leuk vind om op die manier aangesproken te worden.

Omdat de feesttijd naar het einde toe begint te bollen, trok ik de glittertrui gisteren nog eens aan. Ik verwachtte wel iets van commentaar, maar het compliment dat ik kreeg verraste me toch.

‘Mais regarde-là!’ riep buurvrouw Josette uit, ‘elle est belle comme un camion!’

Toen ze mijn verbaasde blik zag, verzekerde ze me dat de uitdrukking ‘belle/beau comme un camion’ echt bestaat.  Josette is op andere momenten ook taalkundige en mijn lerares Frans.

Ik geloofde haar, maar ik ben het toch nog even gaan opzoeken. En jawel, verschillende bronnen vermelden het ontstaan van de uitdrukking in het midden van de twintigste eeuw.

De uitdrukking heeft zich intussen in mijn taalgevoelig hoofd genesteld. Vanmorgen heb ik het eerste brood van het nieuwe jaar gebakken. Het is ‘beau comme un camion.’

En laat ik jullie nu allemaal een prachtig nieuw jaar wensen:

une belle année, belle comme un camion!

img_3052

Foto: Nabat Art Gallery – Folk Truck Art From Pakistan

 

 

En op algemeen verzoek:

 

 

20191225_102940

Stroom

Vanmorgen viel de stroom uit. Dat gebeurt hier vaker, zeker als het onweert. Maar nu was het een aangekondigde onderbreking. De aankondiging was ik vergeten, maar toen het licht uitging herinnerde ik het mij. Ze was per brief en ook nog eens per e-mail gekomen.

De onderbreking begon later dan er in de brief stond en ik veronderstelde dat ze niet langer zou duren dan vermeld. Ik keek naar mijn to-dolijstje en zocht naar iets waar ik geen elektriciteit voor nodig had.

Ik breide een paar rijen aan een wintertrui met dikke priemen, ruimde de woonkamer op en ging tenslotte onder het dakraam zitten, waar genoeg licht was om te schrijven.

Terwijl ik met een potlood in een gelijnd schrift letters tekende, viel het mij plots op hoe stil het in huis was. Geen ruis in de computer, geen gezoem van de koelkast, alleen het tikken van de klok en het fluiten buiten. En hoe zacht het licht.

Ik hoopte dat de mannen of vrouwen van de elektriciteitsmaatschappij nog wat tijd nodig hadden en ik nam me voor om later, als er weer stroom zou zijn, af en toe alles uit te zetten.

Maar toen het licht aansprong, lag mijn vinger binnen een paar seconden op de aan-uitknop van mijn computer. En nu heb ik heimwee naar dat uurtje zonder.

Verslaafd

Het is halfzeven. Over een klein uurtje gaat het donker over in licht en ik heb me voorgenomen om deze ochtend niet te gaan wandelen. Ik wil namelijk de draft voor dit bericht schrijven, maar ik weet niet of ik op mijn stoel zal kunnen blijven zitten. Ik ben namelijk verslaafd. Aan wandelen.

Het is een paar maanden geleden begonnen. Ik wandelde eerder al graag, blijkbaar had ik aanleg. En toen ik na lang zoeken een kinesitherapeute vond die me van mijn chronische rugpijn afhielp, hielp ze me meteen ook aan een nieuwe verslaving: ze raadde me aan om dagelijks een half uurtje stevig te gaan wandelen.

Dat ben ik beginnen doen en het hielp, samen met de behandeling, een intensieve manier van stretchen. Ik loop en zit nu met rechte rug en ik houd nog ongeveer vijf procent over van de chronische pijn die ik drie jaar lang dagelijks meesleepte.

Ik wandel elke ochtend, weer of geen weer. Zo gauw het buiten licht wordt, schiet ik mijn wandelkleren en -schoenen aan en ga ik de deur uit. In de zomer is dat soms al om halfzes. Nu zitten we aan halfacht. Ik kies dan naargelang het weer en de rest van mijn dagprogramma een van mijn drie trajecten: ik heb er eentje van twintig minuten, een van drie kwartier en een van een uur.

Als ik ’s morgens om een of andere reden niet heb gewandeld, dan doe ik het in de loop van de dag of ’s avonds. Dikwijls ga ik twee keer per dag. Soms heb ik zin in een derde keer, maar ik probeer het niet uit de hand te laten lopen.

Van elke tocht breng ik iets mee naar huis. Dat kunnen appels of noten zijn, paddenstoelen, takjes tijm of munt, denappels om de kachel aan te steken of afgevallen takken om te hakselen. Of soms alleen maar een idee, dat ik dan het liefst meteen uitvoer of anders noteer.

Ik kom ook elke dag dieren tegen: de dorpskatten, een slang of een pad op de straat, ritselende vogels in de struiken, schapen, koeien, een haas, een vos, wegvluchtende herten, gemzen of everzwijnen.

Vorige zondag kwam ik een mens tegen. Ze liep in pyjama met haar hond langs het twintigminutentraject. Ik herkende haar, het was Michèle, een vriendin van onze burgemeester. Ze vertelde dat ze tijdelijk bij Céline logeerde omdat ze geen huis meer had. Ze had alles weggedaan want ze vertrok de volgende dag voor onbepaalde tijd naar Martinique. Haar relatie was op de klippen gelopen, ze had haar werk opgezegd en ze wilde doen waar ze al lang van droomde: alles achterlaten en opnieuw beginnen. Ze vroeg of ik geen hinder had ondervonden van het luidruchtige afscheidsfeestje dat ze de avond tevoren hadden gehouden. Niets gehoord, zei ik. En of ik het pad kende dat een lus maakt, vroeg ze, want dat had ze als kind samen met Céline gelopen. Zeker, zei ik, en ik veranderde mijn twintigminutenplan in een tocht van een uur. Michèle, in pyjama, en hond Nora gingen mee. Onderweg vertelde ze haar plannen: ze is verpleegster en ze wil daar werk zoeken, misschien eerst vrijwilligerswerk.

Van deze wandeling nam ik alleen de herinnering aan Michèle en Nora mee naar huis. En het voornemen om te blijven wandelen, ook als ik op reis ben. Want in de steden zijn geen bossen, maar wel straten en parken, en ook dieren en mensen.

20191005_082849

Grens

De beste manier om je jong te blijven voelen: je omringen met vinnige grijsaards. Dat heb ik vandaag gedaan en meteen ook een nieuwe grens verkend: een wandeling van 13 km met 650 m hoogte verschil. De lengte was geen probleem, een hoogteverschil van 650 m is de voorlopige grens. Meer dan dat kan ik nog niet aan. Let op het woordje ‘nog’.

De rechtstaande dame in het roze heet Maggy en is 83 jaar. Tijdens de afdaling kon ik haar nauwelijks volgen. Ik heb haar stiekem gekozen als lichtend voorbeeld.

 

Drempels

Eind 2018 heb ik een paar drempels genomen. Niets spectaculairs, het olympisch zwembad van Perpignan en de cinéma van Prades, maar toch spannend en plezierig genoeg om me voor te nemen om dat vaker te doen.

En ik kan tevreden terugkijken op januari: Ik ben voor de eerste keer naar het Théatre de l’Archipel in Perpignan geweest, ik heb me aangesloten bij een wandelclub en ik heb een blovel opgestart.

De blovel was het spannendste. Ik heb me geëngageerd om ongeveer drie keer per week een bericht te posten en het verhaal binnen een paar maanden af te ronden, en tot nu ben ik op schema.

De dansvoorstelling was een makkie want ik werd meegevraagd door een dorpsgenote. Ik hoefde er geen seconde over na te denken want het was een klassieker van Anne-Teresa De Keersmaeker, Rosas Danst Rosas, die overigens zeer in de smaak viel bij het publiek. Ikke fier.

De drempel naar de wandelclub lag iets hoger. Ik ontmoette de leden van Caminem toen ze een tocht in Glorianes maakten. Het leek me wel wat. Het waren mensen van mijn generatie en ouder. Dat moest ik toch aankunnen? Maar toen ik het programma kreeg moest ik toch even slikken. Elke donderdag wordt er een wandeling georganiseerd van gemiddeld 15 km, met hoogteverschillen tussen de 300 en de 800 meter. De eerste wandeling heb ik meegedaan, ik had anderhalve dag nodig om te recupereren. Drie weken later ben ik opnieuw meegegaan, het ging al iets beter. Iemand van de groep vertelde me dat de gemiddelde leeftijd van de deelnemers 69 jaar is. Ik ben dus een van de jongsten. Sinds ik dat weet, kan ik het niet meer maken om nog flauw te doen. Twee keer per maand moet lukken.

Tegen de volgende wandeling wordt overigens van mij verwacht dat ik het clublied mee kan zingen. Ik zal maar alvast beginnen oefenen.

Titre : Le “marchant” de bonne heure

Je suis le randonneur, qui marche de bonn’heure,
J’ai plein de longs chemins, parcourus de bon coeur.
Vous me verrez passer, au cours de mes randos,
Passer d’un pas léger, avec mon sac à dos.

J’ai les quatre saisons, pour aller à mon gré
Voir les paysages, que Natur’a offert.
Des hautes montagnes, le printemps ou l’été ;
Des collin’et la mer, l’automne ou l’hiver.

Refrain (2 fois):

Voilà un vrai bonheur : marcher à Caminem,
Avec des randonneus’et randonneurs que j’aim’.

(Pour s’entraîner sur la musique originale, il suffira d’écouter l’original sur https://www.youtube.com/watch?v=2uwkapU_LwQ)

20190131_134723