De tuin is dit jaar met horten en stoten ingericht geraakt. Tijdens de winter dwarsboomde de hepatitis mijn plannen om percelen aan te leggen en alvast te mulchen, zodat ik in de lente goed voorbereid had kunnen zaaien en planten. En toen mijn bloed weer normale waarden gaf en ik me fitter begon te voelen, begaf mijn rug het. Heel even dacht ik erover om de tuin maar aan de natuur over te laten, maar met de hulp van mijn stille buurman, kreeg ik toch een soort structuur voor elkaar. Intussen zijn de aardappelen rooiklaar en zijn de tomaten geplant.

Mijn andere buurman, die graag een praatje komt slaan, heeft gemerkt dat ik weer aan de slag ben. Meestal kruip ik op handen voeten tussen het hoge gras rond, vooral om mijn rug te sparen, maar ook wel om niet gezien te worden. Want een praatje kan wel, maar liever niet iedere dag en niet elke keer een vol half uur.

Als hij mij ziet, parkeert hij zijn kriepende 4X4 voor het hek en baant hij zich een weg tussen de grassen en de wilde bloemen tot bij mij. Dan doe ik nog even verder met mulchen, planten of rooien om aan te geven dat ik bézig ben. Maar ik kan er niet onderuit. De lieve man maakt van mijn zwijgen gebruik om rond te kijken en iets te zoeken waarover hij mij advies kan geven.

Gisteren liet ik hem trots mijn primeurs zien. Hij gaf toe dat ze mooi zijn. Maar meteen daarop viel zijn oog op een rijtje aardappelen, waarvan de blaadjes heel wat gaatjes vertonen.

‘Mais vous avez des doryphores!’ riep hij uit. Ja, daar kon ik niet naast kijken. De planten zaten vol coloradokevers. Ik had niet veel zin om erop in te gaan, maar hij beweerde dat al mijn aardappelen en zelfs de hele tuin om zeep zou gaan als ik die dieren liet begaan. Hij demonstreerde me hoe je de beestjes volgens hem van de bladeren moet halen en ze vervolgens een voor een moet dooddrukken.

‘Nee,’ zei ik, ‘dat doe ik niet. Want dat is nu net permacultuur: ik laat alle afval liggen zodat kevers en slakken genoeg te eten hebben en ze van de gezonde planten afblijven.’ Ik was blij dat ik meteen ook een verklaring had waarom de tuin er zo rommelig uitziet.

Buurman rolde net niet met zijn ogen. ‘Maar die hele rij gaat eraan!’ zei hij.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Geeft niet,’ zei ik, ‘die aardappelen zijn klaar, ik zal ze morgen rooien.’

Vanmorgen vroeg heb ik dat rijtje gerooid. De struiken heb ik laten liggen voor de colorado’s. Ik had graag een foto van ze genomen, maar ze waren nog niet op. Blijkbaar ontbijten ze graag in het zonnetje. Van de aardappelen heb ik wel foto’s genomen. Het ras heet Ruby, zijn ze niet prachtig?