Jij bent een dief, er is geen ander woord voor. Voor het eerst in mijn leven heb ik een dief in de ogen gekeken. We hebben zelfs even geglimlacht naar elkaar. Ik dacht dat je me wilde troosten omdat ik zat te huilen, daar op een brancard van de urgentiedienst van het hospitaal in Perpignan. Ik dacht dat jij net als ik een patiënt was, of dat je een familielid begeleidde. En op de urgentiedienst is medeleven niet ongewoon. Iedereen zit er in een ongemakkelijk schuitje en sommigen kunnen in al hun miserie nog aandacht voor de andere opbrengen. Want een urgentiedienst, daar wil je niet zijn. Zeker niet bij het begin van het oudjaar/nieuwjaar-weekend. Zeker niet als de weekend-ongevallen beginnen binnen te komen en het personeel het nog drukker krijgt en de wachttijden voor verder onderzoek alsmaar langer worden.

Ondanks de drukte waren veel mensen lief en aandachtig voor elkaar. En ook de verplegers en de verzorgers deden hun best. Jij stond daar, leunend tegen de muur, een jonge man met donker haar, tokkelend op een oud telefoontoestelletje. Je knikte me vriendelijk toe, je wees naar mijn laarsjes die ik probeerde aan te trekken omdat ik naar de wc moest. Je duim omhoog alsof je wou zeggen: leuke laarsjes! Ik dacht dat je me wilde opmonteren.

En dus vroeg ik aan jou en aan de oudere dame naast jou, die net als jij tegen de muur leunde omdat er niet genoeg stoelen waren, of jullie even op mijn spullen wilden passen terwijl ik naar de wc ging. Want met een infuus in je arm is het al lastig genoeg om je broek naar beneden te krijgen. Het leek me onhandig om ook nog eens mijn tas mee naar binnen te nemen.

Toen ik terugkwam was jij weg. Met mijn portefeuille en mijn telefoon. De oudere dame zat bij haar man, jij had haar afgeleid en gezegd dat haar man haar wenkte.

Ik heb de aanschaf van een smartphone lang uitgesteld, maar toen ik hem eenmaal had, zag ik er toch de handigheid van in. Ik stopte er alles in: alle adressen en telefoonnummers, en foto’s en filmpjes die ik te pas en te onpas maakte. Hij gaf me rechtstreeks toegang tot de bank, handig toch?
Alles wat niet in de smartphone kon, zat in mijn portefeuille: id-card, rijbewijs, bankkaarten.

Die dag was ik om halfacht ‘s ochtends aangekomen in het ziekenhuis. Om halfzeven ’s avonds zat ik nog steeds op een brancard, met een infuus in mijn arm. Murw, ik voelde me onthand.

‘Bel de politie!’ beet een verpleegster me toe.
‘Waarmee?’ vroeg ik.
Toen gaf ze me de wind van voren, ik had maar niet zo stom moeten zijn om een ‘gitan’ te vertrouwen.

Rond tien uur werd ik naar een kamer gebracht. De hele nacht, dacht ik aan jou, dief. Waar ben je heengegaan? Je zal wel teleurgesteld geweest zijn omdat er geen geld in mijn portefeuille zat. Heb je mijn kaarten proberen te gebruiken? En de rest weggegooid?
Heb je mijn smartphone al verkocht? Of heb je hem voor jezelf gehouden? Heb je hem doorzocht? Heb je naar mijn foto’s gekeken? Zag je die goed gelukte foto van een zwartkopje bij mijn raam? Die foto van een met klimop begroeid graf op het Schoonselhof? De selfies samen met mijn liefste op het strand van Leucate?

Heb je die foto gezien die ik van mezelf heb genomen in mijn ziekenhuishemd en met een mondmasker voor?
‘Gek oud wijf,’ zul je misschien gedacht hebben.

Ik moet toegeven dat ik die eerste nacht gewenst heb dat het jou ook ooit zou overkomen. Dat je ooit, al was het maar voor korte tijd, zou ervaren hoe het voelt om alles kwijt te zijn: je gezondheid, je vrijheid, je papieren, je betaalmogelijkheden en vooral de telefoonnummers van je vrienden die je op zo’n moment hadden kunnen troosten.

Maar ik wens je iets anders toe. Ik wens je toe dat je ooit iemand tegenkomt die je een spiegel voorhoudt.
Want zo iemand ben ik ook tegengekomen. Na de boze verpleegster kwam er een andere aan mijn bed.

‘Wat ben ik toch dom geweest, wat ben ik toch stom geweest,’ zei ik.
‘Nee, helemaal niet!’ zei ze. ‘Je bent niet stom geweest! Je hebt vertrouwen gegeven. En dat moeten we blijven doen, ook al weten we dat sommigen mensen niet te vertrouwen zijn. Als we niemand meer durven vertrouwen, dan gaat het pas goed fout.’
Ze heette Amanda, die verpleegster, en ik denk aan haar terug als aan een engel die aan mij verscheen.

Ik heb je vertrouwen gegeven, dief, ook al verdiende je het niet. Je hebt nog een lange weg te gaan en ergens op die weg, wens ik jou een Amanda toe.

Het is 31 december, halftien. Ik heb het licht al uitgedaan en me op mijn minder gevoelige linkerzijde gedraaid. Met een beetje geluk, mag ik over een paar dagen naar huis. Laat het nu maar snel 2018 zijn.

Christine

Naschrift: Intussen ben ik thuis en aan de beterhand. Alles komt goed.