Nu ik nog niet alle, maar toch vele hoeken en kanten van het boerenleven heb verkend, wil ik al lang geen boerin meer worden. Mijn lichaam zou het niet eens aankunnen. Na een paar uur werken (omheiningen verplaatsen, papflesjes geven, ooien en lammeren scheiden, ooien wegbrengen, hoeden, voederbakken uitvegen, stalvloer met stro bedekken, lammeren tillen …) ben ik geradbraakt. Ik begrijp niet hoe de boerin het volhoudt. Ze doet het vier-, vijfdubbele van wat ik doe en draagt dan nog eens alle verantwoordelijkheid.
Er zijn conflicten met andere veetelers die tijd en energie vreten. Er is de ingewikkelde en strenge administratie. Er is de dreiging dat het bedrijf het niet redt. Elke dag moet er rekening gehouden worden met het weer, moeten planningen aangepast worden, duiken er -meestal onaangename- verrassingen op.

De laatste dagen cirkelen er gieren (vautours) boven het dorp. Het zijn prima opruimers. Ze eten enkel kadavers. Maar ze brengen vooral slecht nieuws want ze zijn in staat om zieke dieren te detecteren. Ze cirkelen rond en wachten geduldig tot de prooi doodvalt.

Het is geen loos alarm. Deze morgen heb ik samen met de boerin twee zieke schapen in de laadbak getild. Ze worden niet naar de veearts maar naar de moeder van de boer gebracht. Zij weet alles af van schapen, uit ervaring en uit boeken. Zij zal de dieren afmaken en een autopsie uitvoeren. Ze zullen foto’s maken van alle organen en ermee naar de veearts gaan.

Welke diagnose er ook valt, het zal slecht nieuws zijn. Iets ergers dan een adderbeet. Iets besmettelijks, dat dure en tijdrovende behandelingen zal vragen, iets dat fataal kan zijn voor dieren en bedrijf.

En de boer hij ploegde voort … En de boerin zij werkte voort.

Haar bewegingen zijn wat bruusker, haar gezicht staat wat strakker, maar ze speelt nog met de honden, ze praat nog met de lammetjes. Er kan soms zelfs een grapje af. In de papfles-afdeling staan twee nieuwe weesjes. Terwijl ik ze voed staat het huilen mij nader dan het lachen. Nee, ik zou geen goede boerin zijn.