De wereld lijkt stil te staan.

Maar het is enkel het leven van mijn vader dat vertraagt. Plots ging het snel, nu gaat het traag. Zijn naderende dood dwingt ons om van dag tot dag, van uur tot uur te leven.

De eerste nacht bleef ik wakker. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Ik kon niet geloven hoe ik na alle boosheid, zoveel liefde en compassie kon voelen.

De tweede nacht dwong ik mezelf te slapen in het kleine bed dat in de kamer bijgezet werd en dat ik zo dicht mogelijk naast hem schoof. Ik sliep in compacte stroken, diep en zwaar dromend.

Vannacht sliep ik wat lichter. Gedurende een uurtje was het moeilijk. Hij vroeg om hulp en wou “eruit”. Wat voor hulp? En waar uit? Het was moeilijk om te weten te komen. Gelukkig wisten de verpleegsters hoe ze hem comfort konden geven.

En nu slaapt hij weer en hoop ik dat hij blijft slapen en pijnloos uit zijn leven glijdt.

Een keer per dag rijd ik naar de berg. De heen- en terugritten duren langer dan anders, maar het loont de moeite. Het gras is er groen, de lucht fris. Sapphir is blij om me te zien en mijn zaailingen tonen trots een paar millimeter groei. Gedurende die uurtjes op de berg verzamel ik genoeg energie voor de lange uren daarna.

Vandaag wordt weer een dag die niet te sturen valt.