Verhuizen is ingrijpend voor elk levend wezen. Ik denk aan Fleur, het meisje dat een week geleden in onze familie werd geboren. Hoe schokkend moet dat niet zijn, vanuit die warme buik van haar moeder naar onze koude wereld. En ik denk aan Zohra, de kat die moeite heeft om zich aan te passen aan het nieuwe appartement waar ze nu woont. En mijn ouders in het rusthuis, die nog elke week vragen wanneer ze mee naar huis kunnen. Ik denk aan mensen die onvrijwillig van huis en van land veranderden. Of erger nog, ergens opgesloten zitten.

Dat gaat allemaal door mij heen. En dat ik daaraan denk, betekent dat mijn verhuis mij meer aangrijpt dan ik verwacht had.

Niet dat ik heimwee heb, of naar A zou willen terugkeren. Integendeel, ik ben het liefst op de berg en ik vind het prima dat de buren brood en groenten meebrengen, zodat ik niet naar het dal hoef.  Maar ik voel iets dat niet beredeneerbaar is, een gevoel van ontworteling en afgesneden zijn.

Hoe groot mijn aanpassingswil en –vermogen ook is, het gaat verder dan dat. Het gaat verder dan mijn lichaam, dat onrustig slaapt en weinig eetlust heeft. Het gaat verder dan mijn wil om positief te denken en overal de goede kanten te zien.

Het is iets wezenlijks. Het is rouw.

En het enige wat ik kan doen, is het ondergaan en observeren, in de wetenschap dat het een fase is. Ook dit gaat voorbij.