De dorpsmensen hadden mij gewaarschuwd: zorg dat je voldoende hout stockeert. Het kan hier koud zijn.

Ik dacht dat het wel mee zou vallen. Kou, dat kennen we toch? Ik kreeg een voorraadje van de buurman en ik dacht dat ik daar wel een tijdje mee verder kon. Maar de stapel slinkt, de buurman is op reis en ik bel vergeefs naar een leverancier van hout in het dal.

Dan maar het bos in, en hout sprokkelen zoals oude vrouwtjes in sprookjes.

De andere buren hebben mij misschien gezien, zo in het bos. Of op de terugweg met een rugzak en een boodschappentas waar takken uitsteken. Want de buurman van links en dochtertje Natacha komen vragen of ik het wel warm genoeg krijg en of ik nog hout genoeg heb.

Ik vertel dat de leverancier maar niet terugbelt en dat ik nog genoeg heb voor een dag of drie. Hij begint meteen te bellen naar een andere dorpsbewoner die zijn hout ook in Prades koopt. Ja, het is het goede nummer, maar ze hebben het vast druk nu, met die plotse kou.

Bel morgenvroeg meteen weer, zegt de buurman. Hij komt wel. Niet alle bedrijven zijn bereid om de berg op te rijden, maar deze wel. En als je hout op is, kom er dan maar bij ons halen.

Ik krijg een krop in de keel. Ik weet nog dat ik hem een beetje stuurs en zelfs onvriendelijk vond, de eerste keer dat ik hem zag.

Hier in het dorp helpen we elkaar, zegt hij. Als het zo koud is als vandaag, hebben we het allemaal koud. Maar als we kunnen, helpen we elkaar.

Hij voelt even aan het venster. Je hebt nog geluk, zegt hij. Bij ons tocht het nog veel meer.

Ik heb geluk. Dat vind ik ook.