Op het kerkhofje van Glorianes staan hoofdzakelijk verweesde kruisen, waarvan niemand weet voor wie ze ooit geplaatst zijn. Veel valt er niet aan te restaureren, ik kan alleen hier en daar een scheefgezakt kruis recht wringen en met wat stenen en plantjes er opnieuw een waardig graf van maken.

Er zijn ook drie parkjes, graven van familieleden die bij elkaar mogen liggen en met een soort omheininkje afgezonderd zijn van de rest. Het zijn de graven die ik als laatste heb opgeruimd omdat ik ze niet mooi vond en niet goed wist hoe ik ze aantrekkelijker kon maken. Ik heb me dan maar beperkt tot het verwijderen van droog gras en rotte bladeren. De lege plastic bloempotten heb ik weggehaald en de kunststof bloemen heb ik rechtgezet en bij elkaar geschikt.

Het werd er niet echt mooier op, maar terwijl ik ermee bezig was, las ik de namen en de data op de geëmailleerde hartjes die met ijzerdraad aan de kruisen bevestigd zijn. Er kwamen allerlei vragen in me op: Waaraan is Paulette Soler, zo jong, amper twintig, gestorven? Was Jean Soler haar vader? En is er een verband tussen zijn en haar dood? Nee, waarschijnlijk niet, het kan geen besmettelijke ziekte geweest zijn, want hij was al meer dan anderhalf jaar eerder overleden. En wie was Eloi Coste? Een aangetrouwde oom? Of misschien Paulettes grootvader van moederskant? Maar waar is de moeder dan? Van Joseph Pierre Soler is de sterfdatum niet te ontcijferen. Ik weet alleen dat hij 46 jaar geworden is.

Zoveel vragen, waarop ik nooit een antwoord zal krijgen. Maar terwijl ik hun laatste rustplaats in de mate van het mogelijke opknap, word ik mij er sterk van bewust dat het ooit levende mensen waren. Mensen die pijn en verdriet, vreugde en geluk hebben gekend. Verliefd zijn geweest. Afgewezen of getrouwd, vader of moeder zijn geweest.

Het enige wat ik bijna zeker weet is dat deze mensen in Glorianes hebben gewoond. En daardoor zijn ze nu ook een beetje familie van mij.