Sinds ik mijn beklag over de strenge winter heb gedaan, is de lente ingetreden. Zo lijkt het toch. Al drie dagen op rij zijn de temperaturen veel zachter en schijnt de zon het grootste deel van de dag. Benieuwd hoe lang dit gaat duren.

Gisteren ben ik dan ook nog eens het bos ingetrokken, op zoek naar een paddestoel. Het fluweelpootje is een van de weinige soorten die de vorst doorstaan en in de wintermaanden te vinden zijn. Volgens het boekje toch. En volgens sommige websites zou het ook in de Pyreneeën voorkomen. Voorlopig heb ik er nog geen gevonden.

Het werd wel een spannende wandeling want ik vond mijn oversteekplaats over de rivier niet meer terug en ik moest me oriënteren op de zon en op de ligging van het dorp. Gelukkig ligt het dorp in een soort kom en kan je van overal op de hellingen wel een glimp van het kerkje zien. Maar ik vond nauwelijks duidelijke paden en een deel van de weg heb ik zittend en glijdend afgelegd want de aarde was erg mul en op de droge bladeren gleed ik voortdurend onderuit. Het andere deel van de weg heb ik op handen en voeten gedaan, want als het niet bergaf ging, ging het bergop. Gelukkig was ik alleen, want het was eigenlijk geen gezicht.

En in plaats van iets te vinden, ben ik iets verloren. Mijn brillendoos. Het is een mooie stevige doos, bekleed met zwart fluweel. Ze viel waarschijnlijk uit mijn tas tijdens het glijden. Ik vind ze nooit meer terug, want ik zou de weg die ik gegaan en gegleden ben onmogelijk kunnen overdoen. Ze ligt ergens op de bruine eikenbladeren -hopelijk open, dan kan er nog een muisje in gaan wonen- op een plaats waar in geen jaren nog een mens voorbijkomt.

Niet dat ik er zo gehecht aan was, aan mijn fluweeldoosje, maar het is toch een rare gedachte dat het daar nu ligt, ten prooi aan de natuurelementen. Ik zie het al voor mij, hoe het stilaan zal vergaan, grijs zal worden, uit elkaar zal vallen en overgroeid worden. Misschien wel met paddestoelen, fluweelpootjes hoop ik.