Weer een lieflijk woord: un portillon. Nee, het is niet het onwettig poortje bij mijn huis, maar het tuinpoortje van het station van Vinça. Dat station is overigens niet bemand, wel bewoond. Er huist een smid, die in de vroegere wachtzaal van het station hekken en trapleuningen smeedt.

Vanmorgen stond ik fout geparkeerd voor zijn portillon. Dat riep hij me toe vanop zijn smeedijzeren balkon, toen ik wat slaperig op de trein naar Perpignan stond te wachten. Ik was meteen klaarwakker en haastte me om me te verontschuldigen en de trap naar de parking op te lopen.

Mijn huurautootje was snel verplaatst, maar terwijl ik de trap weer afliep, hoorde ik de trein al op het perron. Ik zag het al gebeuren: weg trein, dan maar naar de latere bus.

Maar de dingen gaan hier anders dan in België: de trein wachtte! Hij werd staande gehouden door een meneer die mij de trap op had zien lopen. Kom maar! riep hij, ik houd hem tegen. En hij niet alleen, want niemand van de passagiers die met mij in de kou hadden staan wachten, was opgestapt. Ze wachtten tot ik over de sporen was.

Pas toen ik een voet op het trapje van de trein zette, stapte iedereen op. Er werden wat grapjes gemaakt, die ik niet verstond. Misschien maar beter zo.