Bijna twee jaar lang was het verontrustend droog in deze streek. Heel wat bomen overleefden de droogte niet, in de lente kwam de bloei moeizaam op gang, sommige planten verdwenen uit het landschap, andere namen de overhand, op veel plaatsen was de grond zanderig droog. De dorp zag er stoffig uit, de moestuinen pover. In het najaar van 2024 leek het tij te keren. We kregen af en toe een bui, maar het regende te weinig om de bronnen weer voluit te laten stromen. De hoofdbron die ons dorp van water voorziet, gaf steeds minder.
In februari kwam er opeens geen water meer uit de kraan. Niet omdat de bron opgedroogd was, maar omdat er twee lekken in de hoofdleiding waren. Het duurde vier dagen eer die hersteld waren. Het was een harde les want voorheen realiseerde ik me niet hoe dikwijls op een dag ik de kraan opendraai. Gelukkig heb ik in 2023 twee regentonnen laten installeren, handig om het toilet door te spoelen, maar niet drinkbaar.
En nu heeft het twee dagen onophoudelijk hard geregend. Een heel ander soort ongemak: niet naar buiten kunnen, want binnen de kortste tijd ben je drijfnat, èn lekkende daken. Met emmers en dweilen is het binnenhuisleed min of meer verholpen en intussen is het opgehouden met regenen. De doorhangende takken van de cipressen schudden het water van zich af, het dorp hult zich in een witte damp en we horen de rivieren weer de berg afstromen. Een geluid dat ik bijna vergeten was. Ik probeerde het op te nemen, maar in de opname overschreeuwen de vogels het stromen.
Vanmiddag ben ik het opgefriste bos gaan verkennen: beddingen die al meer dan twee jaar geen water meer gezien hebben zijn veranderd in kolkende beekjes. En op de terugweg liep ik ook even langs de moestuin. Tot mijn vreugde stond er voor het eerst water in de wadi.
BosbeekjeDe wadi die ik in augustus 2022 aanlegde houdt voor het eerst water vast.Het water stroomde vanaf de straatkant de tuin in.
Het regent al drie dagen ononderbroken. Voor mijn vrienden in het noorden is dit waarschijnlijk flauw nieuws, maar voor ons is het een wonder. Na bijna twee jaar aanhoudende droogte smaakt deze regen als een ijsje op een warme zomerdag.
In maart waren hier en daar al eens wat druppels gevallen en dat had meteen effect op de natuur. Maar toen alles groen begon te worden, werd pas duidelijk hoeveel bomen afgestorven waren. De hellingen zijn voor een vierde bruin. Zelfs een groot aantal wintereiken hebben het niet gered. Acacia’s deden hun best om wat magere bloemen te geven, maar de blaadjes bleven achterwege.
Ons dorp en de mooie weg erheen zagen er gehavend en droevig uit. En nu regent het. We maken foto’s van voorbijdrijvende wolken en van diepe plassen, en genieten van het uitzicht op druppels die van de ramen glijden. Volgens de voorspellingen zal de regen nog minstens twee weken aanhouden. Gelukkig wonen we op een berg en kan het hier niet overstromen. En de lekken in onze oude daken, die nemen we erbij.
Toen ik hier twaalf jaar geleden aankwam waren we met een twintigtal inwoners, tegenwoordig zijn we met ongeveer vijftien. Ik weet het niet precies, omdat ik van sommige mensen niet zeker weet of ze officieel in ons dorp wonen. Maar officieel of niet, ik tel vijftien mensen in negen woningen. De bevolking in ons dorp is met een vierde afgenomen en ik denk niet dat ze de komende jaren zal toenemen. We kennen intussen al mensen van buiten het dorp die naar de Ariège (midden Pyreneeën) verhuizen omdat de droogte hier in de streek problematisch is. Ik vraag me af hoelang de boer en de boerin het houden van koeien en schapen, met te weinig water in de riviertjes om de dieren te drinken te geven, het zullen volhouden.
We blijven hopen dat het tij zal keren, maar tegelijk beginnen we te denken aan hoe het verder moet als het de komende jaren zo droog blijft. De burgemeester stuurde onlangs een artikel rond met een paar ideeën voor alternatieve plantengroei. Dadels en citrusvruchten zoals in het Spaanse Alicante zouden een mogelijkheid zijn, maar ik kan het me eerlijk gezegd niet goed voorstellen.
Verhuizen is voor mij voorlopig niet aan de orde. Net voor de droogte had ik immers besloten dat ik hier zo lang mogelijk wilde blijven wonen en was ik begonnen met een renovatieplan met het oog op wat meer comfort in mijn zeshonderd jaar oude huisje. Er zijn nieuwe ramen besteld en er komt een extra kamer aan de onderkant van het huis waar vroeger de stal was. Nu verkopen zou alleen met een flink deel verlies kunnen.
Er zit dus niets anders op dan te blijven nadenken over hoe het verder moet. Voorlopig komt er nog water uit de dorpsbron, al is het debiet al flink gedaald. Iedereen heeft reservoirs naast het huis staan voor het geval het toch een keertje zou regenen en verder zijn we allemaal erg zuinig met water.
Concrete oplossingen vind ik niet meteen, maar ik heb wel bedacht dat we in het dorp misschien wat nauwer moeten gaan samenwerken. De afgelopen jaren is het dorpsweefsel immers wat gaan uitrafelen. Hoog tijd dat we de draden weer wat gaan aanspannen.
Zelf heb ik me voorgenomen om me wat socialer te gaan gedragen. Zo ben ik gisteren een oude dame die onlangs een beroerte heeft gehad gaan bezoeken en stuurde ik vandaag een berichtje naar een buurman die zijn sleutelbeen bij het skiën heeft gebroken. Van mijn kant probeer ik flexibeler te zijn en uitnodigingen, en aanbiedingen voor hulp, wat gemakkelijker te aanvaarden. Het klinkt vanzelfsprekend maar het is het niet. Alleen leven en me zo goed mogelijk zelf redden is langzaam maar zeker verslavend. Maar het is niet ideaal. We hebben elkaar wel degelijk nodig.
Voor mezelf heb ik een lijstje gemaakt met dingen die ik graag in het dorp veranderd zou zien, dingen die we samen zullen moeten aanpakken. Ik heb het nog niet officieel voorgelegd, maar toen ik er onlangs één punt van aanhaalde, sprong een buurman er meteen op. Kort daarna stuurde hij een oproep rond en twee weken later stonden we met een paar mensen bij de poort van de dorpsgarage die een ondoorwaadbaar rommelhok was geworden. In één dag hebben we alles eruit gesleept, wat onbruikbaar was naar het containerpark gebracht en wat nog van nut zou kunnen zijn geordend teruggeplaatst.
We hebben nu een nette, ruime werkplaats, waar we ons tuingerei kunnen onderbrengen, zodat we dat ook kunnen uitwisselen. Zo had ik als enige in het dorp een hakselaar die nu door iedereen gebruikt kan worden. Een buurvrouw heeft er haar bladerenblazer en haar grasmaaier geplaatst. Er staan twee stevige tafels waarop we zelf kunnen gaan bricoleren en er ligt wat materiaal dat in elk huis wel eens van pas komt.
We moeten nog wat wennen aan de nieuwe gemeenschappelijke ruimte en het uitwissel-idee, maar ik denk dat het een begin kan zijn van wat meer samenhang en gemeenschapszin. En wellicht komen we samen gemakkelijker tot ideeën over hoe we de komende jaren met de droogte moeten leren leven.
Katten kiezen zelf hun baasjes, zegt men, en bij mij is dat niet anders. Sterker nog, katten komen bij mij de baas spelen. Dat was zo met Zohra, een verdwaald kattenjong dat door een vriendin tijdelijk bij mij ondergebracht werd en uiteindelijk haar hele leven bleef. En ook met Sapphir die ik in huis nam zodat ze de laatste maanden van haar leven niet op straat hoefde door te brengen, maar uiteindelijk nog zes jaar bleef leven. En het is nu niet anders met Cacahuète die bij mij op het terras kwam wachten tot Sapphir haar laatste adem uitblies en vervolgens haar plaats innam.
Eerst tolereerde ik hem, daarna voerde ik hem en tenslotte adopteerde ik hem, op voorwaarde dat hij op het terras in zijn eigen huisje bleef wonen. Dat kangoeroewonen ging prima tot ik merkte dat hij zwaarlijvig en passief werd, en met zijn achterpoten begon te slepen. Er waren verschillende pogingen voor nodig om hem naar de dierenarts te krijgen, ik bespaar jullie de gevechten, de kapotgetrapte transportkooi, en de zeer onaangename geuren tijdens de uiteindelijke rit naar de dierenarts. Daar was het verdict verbijsterend: Cacahuète heeft diabetes. Ik wist niet eens dat dat bij katten kan voorkomen. Ik ging naar huis met een dure zak aangepaste voeding, een flesje insuline en een doos injectienaalden.
Na een paar weken bracht ik hem terug naar de dierenarts en vroeg ik haar om zijn leven te beëindigen. Ik had de indruk dat de behandeling niet aansloeg en dat hij leed. Bovendien was hij min of meer incontinent geworden en was mijn gezellige binnentuintje een kattenbak geworden. De dierenarts weigerde hem uit zijn lijden te verlossen, ze vond dat ik de behandeling meer tijd moest geven. Dat die behandeling ook nog eens een grote hap uit mijn budget nam, daar had ze geen oren naar.
Ik besloot het een tijdje aan te zien. En dat tijdje duurt nu al een paar maanden. Cacahuète heeft zijn kangoeroewoning verlaten en woont nu bij mij in huis. Hij heeft met vallen en opstaan de kattenbak leren gebruiken, eet zonder klagen zijn suikervrije kattenkorrels, en vraagt twee keer per dag naar het insulinespuitje. Om zes uur miauwt hij mij uit bed, kort daarna zet hij mij aan het werk met de kattenbak. Als de zon schijnt wil hij naar buiten, als het koud is, twijfelt hij op de drempel en gaat vervolgens achterwaarts weer naar binnen.
Kortom, hij is de baas. Ik ben aan handen en voeten aan hem gebonden en hij kost me stukken van mensen. En wat ik misschien nog wel het ergste vind, is dat hij een enorme hoop afval produceert: twee wegwerpspuiten -plus de verpakking- per dag, en twee loodzware zakken goed doordrenkt kattenzand per week. Ik vrees dat de man die op dinsdagochtend ons huisvuil ophaalt zich wel eens afvraagt wat er in die loodzware zakken zit.
Maar… hij is wel de allerliefste, meest affectieve kat die ik ooit heb gehad. Hij kijkt me aan met grote verwonderde ogen, komt tegen mijn benen wrijven, gaat op zijn zwakke achterste poten tegen me aan staan en vraagt om op schoot te mogen zitten. Eens hij die plek verworven heeft, vlijt hij zich tegen me aan en duwt hij zijn kop in mijn hals of onder mijn arm.
Op zulke momenten vergeet ik het slavenwerk, mijn krappe huishoudbudget, mijn beknotte vrijheid, het bedreigde klimaat en de arme vuilnisman.
Vorige dinsdag kruiste ik toevallig die laatste toen ik terugkwam van mijn ochtendwandelingetje. Ik zag hem de zware zakken uit de container tillen. Hij vroeg niets, hij deed het gewoon.
‘Merci beaucoup,’ zei ik.
‘De rien,’ zei hij met een grote glimlach.
Sindsdien is de balans in evenwicht, en blijft mijn dilemma gewoon een dilemma.
In betere tijden, toen we nog kangoeroewoonden. Territorium eindelijk verworven.
Bij mijn huisje staat een poortje dat het weggetje langs mijn huis met de straat, de rue de l’église, verbindt. Dat poortje doet dienst als deurbel, want bezoekers moeten er zo hard aan rukken om het open te krijgen, dat ik aan het morrelen èn het morren hoor dat er iemand op het erf komt. Maar gisteren, nadat ik even naar de moestuin was geweest, had ik het open laten staan. En, ik had het kunnen weten, het was zondag, er waren wandelaars in het dorp. Ik hoorde stemmen bij de kerk en even later zag ik door het open raam van mijn woonkamer een dame langs mijn huis lopen.
‘Doe dat niet!’ hoor ik iemand roepen, ‘dat is een woonhuis!’
De dame kijkt een paar tellen naar het achterste gedeelte van mijn huis en keert dan terug naar de straatkant.
‘Ik denk dat het gerestaureerd wordt,’ zegt ze.
Ik hoor de stemmen wegsterven en sla verder geen acht op deze zondagse toeristen.
Even later, wanneer ik een paar flessen naar de glasbak breng, zie ik hen picknicken bij de fontein en een uur later hangen ze nog steeds rond in het dorp. Als ik een paar tomaten uit de moestuin wil gaan halen, spreekt de dame mij aan.
‘Woont u hier?’ vraagt ze. Ik knik.
‘Het hele jaar door?’
‘Ja.’
‘Al lang?’
‘Deze week, precies acht jaar,’ zeg ik.
‘Mijn vriend heeft hier familie op het kerkhof liggen,’ zegt ze.
Ze wijst naar de kerkhofmuur en ik zie er het hoofd van een oudere man bovenuit steken. Hij kijkt in onze richting en komt vervolgens naar ons toe.
‘Mijn vader heeft hier gewoond,’ zegt hij, ‘hij heette Garrigue’. Ik knik opnieuw want toevallig ken ik alle namen op de zerken van ons kleine kerkhof.
‘Ooit ben ik met mijn vader op zoek gegaan naar zijn geboortehuis, Mas Nou, het ligt aan de andere kant van de berg. Er woonde toen een Belg. Hij wilde ons niet binnenlaten.’
‘Jullie hadden maar niet moeten weggaan,’ had de toenmalige eigenaar gezegd.
Het klinkt bitter en ik schaam me een beetje voor die onhoffelijke landgenoot.
‘En mijn moeder,’ gaat hij verder, ‘heette Trabis.’
Mijn hart maakt een sprongetje.
‘Colombe Trabis?’ vraag ik.
‘Dat was haar grootmoeder.’
‘Oh,’ zeg ik, ‘het graf van Michel en Colombe, dat ken ik goed. Ik heb er een boek over geschreven… Ik bedoel, ik werd geïnspireerd door hun namen en door het leeftijdsverschil,’ stamel ik.
Dat ik een boek heb geschreven lijkt niet veel indruk te maken, we gaan nog even door over het leeftijdsverschil.
‘Colombe is heel oud geworden,’ zegt de man. ‘Nochtans heeft ze tyfus gehad. Want haar dochter, mijn grootmoeder is toen teruggekeerd naar Glorianes om voor haar moeder te zorgen. Helaas werd ze zelf besmet en stierf ze eraan. Ze was amper veertig. Terwijl Colombe zesentachtig is geworden. Ze woonde achter de kerk.’
Mijn mond valt open.
‘Achter de kerk?’
‘Ja, we zijn er even gaan kijken, maar we durfden er niet binnen te gaan.’
‘Maar… dat is waar ik woon,’ zeg ik.
‘Er waren twee huisjes, zij woonde in het laatste.’
‘Dat klopt,’ zeg ik, ‘mijn huis bestaat uit twee piepkleine huisjes. Colombe woonde dus in mijn keuken.’
Helemaal van slag, vraag ik of ze misschien de binnenkant van de kerk willen zien. Dat willen ze graag en ik haal de sleutel. Ze vinden de kerk heel mooi, maar een beetje vuil.
‘Heb je geen stofzuiger?’ vraagt de man.
‘Jawel, zeg ik, maar het is er dit jaar nog niet van gekomen om de kerk te poetsen. Dat doen we gewoonlijk een keer per jaar.’
‘Ik wil je wel komen helpen,’ zegt de vrouw. Zij is Spaanse, vertelt ze me. Ze heet Angela, en niet Amparo, zoals ik een ogenblik fantaseerde.
Ze bedanken mij en nemen afscheid.
Met knikkende knieën ga ik terug naar mijn huis. Het huis waar Colombe en Michel hebben gewoond. In mijn keuken. Na een tijdje besef ik dat ik die mensen niet eens heb uitgenodigd om naar mijn huis te komen kijken. Ik haast me naar de plaats waar hun auto stond, maar ze zijn al weg.
In de witte gids vind ik een Angela C. die in Ria-Sirach woont. Ze heeft nog een vast nummer. Ze klinkt blij verrast als ze mijn naam hoort. Ja, ze komen graag nog een keertje terug. En ze zullen het familieboekje, met alle geboorte- en sterfdata erin, meebrengen.
De gedenkplaat op het graf van Colombe en Michel op het kerkhof van GlorianesDe achterkant van mijn huisje, waar Colombe nog lang na de dood van Michel heeft gewoond.
Een jaar geleden ontdekte ik in het voedselbos een enorme mierenhoop. Het was op een plekje waar ik een tomaat had willen planten, maar zodra ik maar in de buurt kwam met een plantschopje liepen de mieren over mijn handen. Ik overwoog om de kolonie te verdrinken, maar ik ging eerst even raad vragen aan mevrouw Google. Zij stelde voor om op die plek munt te planten. Toevallig had ik een paar stekjes van een heel krachtige muntsoort in een glas water staan en ik besloot de proef op de som te nemen. Het resultaat mag er zijn: de mieren zijn verhuisd en ik heb nu een prachtig perkje met donkergroene, sterk geurende munt (Mentha spicata var. crispa ‘Moroccan’).
Een klein miertje op het aanrecht, hoe schattig, dacht ik een paar dagen geleden. Maar algauw waren ze met zeven, even later met dertig en de volgende dag leek de rand van het aanrecht op een autosnelweg richting kust. Via mevrouw Google vernam ik dat de kunst erin bestaat om de plek te vinden waar de mieren naar binnen komen en dan aan de buitenkant van het huis met wat suiker een wegomlegging te forceren. Ik was bereid om dat te doen, maar waar en hoe de mieren naar binnen kwamen, leek me een raadsel.
Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik er toen de stofzuiger bij heb gehaald. Ik heb ze een voor een pijnloos opgezogen. De eerste keer is zoiets hard, maar na een tijdje ging het beter. Geloof me, moorden went. Ik ging met de stofzuiger over het aanrecht en vandaar in alle hoeken en kanten van mijn keukentje, maar de mieren bleven komen. Opeens zag ik een rijtje mieren naar boven marcheren. En terug. Het was een komen en gaan vanuit het dak. De moed zonk me in de schoenen, want ik zag me niet het dak opgaan om daar een zoete wegomlegging te plaatsen.
En toen dacht ik aan de munt. Ik ging naar de tuin en plukte een bosje munt. Ik maakte een tuiltje en plaatste het in een vaas, in de hoek waar het verkeer het drukste was. Ik merkte wat aarzeling bij de nieuwkomers, maar niet zo dat ze rechtsomkeert maakten. Ik besloot om de grote middelen in te zetten. Ik ging terug naar de tuin, plukte een flinke bos munt, haalde de blaadjes van de stelen en legde ze op schalen te drogen. Het hele huis rook fris en na een uur waren de mieren verdwenen. Geweldloze communicatie werkt.
Uit nieuwsgierigheid liet ik dit ‘onkruid’ in een bloempot uitgroeien. Ik zette er zelfs een stoel naast om de alsmaar groter wordende plant te ondersteunen:
Gisteren heb ik op de hele dag maar twee dorpsgenoten gezien. Het zijn de enige mensen waarvan ik met plezier wat afstand houd. Ik wens hen alle goeds toe, maar ik heb ze liever niet in de buurt.
Nog meer dan anders maak ik tijd voor mensen die goed nieuws verspreiden. Zo luister ik af en toe naar De wereld van Sofie op Radio één, dat voorlopig tot We zullen doorgaan omgedoopt werd. En gisteren hoorde ik daar een interview met De man met de microfoon, een Nederlandse man die al een paar jaar een podcast maakt met en over gewone mensen, en die het thema van de dag heel mooi aanpakt. Wie er oren naar heeft, moet hier maar eens gaan luisteren. Dit is namelijk de aflevering van 17 maart en daarin geeft de moeder van de presentator haar dagelijkse tip (vanaf min. 2.25). En die klinkt ongeveer zo: ‘Nu we voorlopig niet met vakantie kunnen gaan: kijk om je heen, naar je omgeving, naar je stad, je dorp, je straat, je huis en de huizen om je heen, alsof je er met vakantie bent.’
Wat vind ik dat een prachtige tip en die mevrouw brengt dat zo schattig. Ik merk dat ik er af en toe aan denk, en ik merk ook dat ik vanzelf al anders naar de dingen kijk.
Zo kijk ik helemaal anders naar mijn huisje. Ik kijk niet meer met de vraag: wat kan ik veranderen, verbeteren, vernieuwen?, maar meer met de vaststelling: alles is er er al, en het werkt. Elke keer als ik de aan-knop van mijn twintig jaar oude wasmachine indruk, en het water begint te stromen, spring ik een gat in de lucht. Ze werkt nog!
Op dezelfde manier kijk ik naar de na-winterse moestuin. Niet met de vraag: welke planten en zaden kan ik nog kopen? Maar: Wat staat er nog van vorig jaar? Welke wilde planten ken ik nog niet en zijn misschien ook eetbaar? Zal ik die laatste gekiemde aardappeltjes die ik wou weggooien toch ook maar poten? Heb ik nog zaden liggen? Wat kan ik in bloempotten zaaien?
Dan denk ik aan mijn ouders en grootouders en hun verhalen over de oorlog, hoe ze ze zich uit de slag trokken met wat voorhanden was. Zij kunnen het niet meer vertellen, maar vanmorgen las ik dit mooie verhaal bij De Letterkoek:
‘Vandaag belde ik met mijn grootmoeder.
Zoals verwacht, stelt ze het goed. Oma klaagt niet. Oma klaagt nooit. Ze vertelde me dat ze de komende twee weken niet zal verhongeren, dat het huis spic en span is en dat ze de tuin onder handen neemt. Als ze moe wordt en de woonkamer is te stil, kijkt ze naar PlattelandsTV. Ze vertelde me ook dat ze viooltjes heeft gekocht voor de bloembak op de vensterbank. Want ‘daar fleurt een mens van op’. Ze benadrukte dat ik mij om haar geen zorgen moet maken. Ik moet vooral goed voor mezelf en mijn gezin zorgen, want zij heeft al een mooie tijd gehad in die 85-plus jaar. Daar is ze dankbaar voor, altijd al geweest. Dankbaarheid is een mooie eigenschap, oma. Tot snel. x’
Wat ik van deze mevrouw leer: ‘Door goed voor mezelf te zorgen, zorg ik ook voor anderen, want zij hoeven zich tenminste geen zorgen over mij te maken.’
Tot mijn vreugde heeft deze erg frisse muntsoort zich eindelijk in de moestuin geïnstalleerd.
De blaadjes en de bloemblaadjes van de goudbloemen zijn eetbaar. Ik strooi ze op slaatjes en op rijst, maar wellicht zijn er nog meer leuke ideeën.
Vanmorgen viel de stroom uit. Dat gebeurt hier vaker, zeker als het onweert. Maar nu was het een aangekondigde onderbreking. De aankondiging was ik vergeten, maar toen het licht uitging herinnerde ik het mij. Ze was per brief en ook nog eens per e-mail gekomen.
De onderbreking begon later dan er in de brief stond en ik veronderstelde dat ze niet langer zou duren dan vermeld. Ik keek naar mijn to-dolijstje en zocht naar iets waar ik geen elektriciteit voor nodig had.
Ik breide een paar rijen aan een wintertrui met dikke priemen, ruimde de woonkamer op en ging tenslotte onder het dakraam zitten, waar genoeg licht was om te schrijven.
Terwijl ik met een potlood in een gelijnd schrift letters tekende, viel het mij plots op hoe stil het in huis was. Geen ruis in de computer, geen gezoem van de koelkast, alleen het tikken van de klok en het fluiten buiten. En hoe zacht het licht.
Ik hoopte dat de mannen of vrouwen van de elektriciteitsmaatschappij nog wat tijd nodig hadden en ik nam me voor om later, als er weer stroom zou zijn, af en toe alles uit te zetten.
Maar toen het licht aansprong, lag mijn vinger binnen een paar seconden op de aan-uitknop van mijn computer. En nu heb ik heimwee naar dat uurtje zonder.
Elk nadeel heb zijn voordeel. Dankzij de lange hete zomer geeft mijn druivelaar voor het eerst in zeven jaar eetbare druiven. Te weinig om wijn van te maken, maar misschien wel sap.